Wie meent dat reizen slechts een kwestie is van het boeken van een vervoermiddel en het inpakken van een koffer, vergist zich schromelijk — en het is juist die vergissing welke de heer G.P.M. Verhoeven, gepensioneerd diplomaat en veelvuldig bezoeker van verre uithoeken der wereld, op bewonderenswaardige wijze heeft blootgelegd tijdens zijn lezing, gehouden in de grote zaal van ons onderkomen op een avond die, naar de mening van de ondergetekende secretaris, tot de meest geslaagde van het lopende seizoen mag worden gerekend. De opkomst was bevredigend, de tafelschikking was verzorgd door onze vaste medewerker Rombouts, en het vuur in de haard brandde met de welwillende gelijkmatigheid die men van een goed onderhouden schouw verwacht. Het thema van de avond — de reis als beschaafd tijdverdrijf, met alles wat daarbij komt kijken aan voorbereiding, houding en observatie — bleek bij onze leden een snaar te raken die men wellicht niet had verwacht bij lieden wier dagelijks leven zich hoofdzakelijk in de beslotenheid van studeerkamer en vergaderzaal afspeelt.
De Voorbereiding als Wezenlijk Onderdeel van de Reis
De heer Verhoeven opende zijn betoog met een stelling die aanvankelijk enige wenkbrauwen deed fronsen, doch bij nadere beschouwing de instemming van het gezelschap verwierf: de eigenlijke reis, zo betoogde hij, vangt niet aan op het moment dat men de drempel van zijn woning overschrijdt, maar reeds weken, zo niet maanden daarvóór, wanneer men zich begint te verdiepen in de geschiedenis, de zeden en de taal van het land dat men voornemens is te bezoeken. Hij illustreerde dit met de anekdote van een bevriende zakenman — wiens naam hij om begrijpelijke redenen verzweeg — die naar een Aziatisch land was gereisd zonder ook maar enige kennis te hebben genomen van de aldaar geldende gebruiken bij het ontvangen en aanbieden van geschenken, met gevolgen die, naar de heer Verhoeven met diplomatieke terughoudendheid beschreef, niet geheel gelukkig waren.
De voorbereiding, aldus de spreker, omvat meerdere dimensies. Hij onderscheidde de intellectuele voorbereiding, bestaande uit het lezen van geschiedkundige werken, reisjournalen van voorgangers en — indien men de taal enigszins machtig is — plaatselijke literatuur; de praktische voorbereiding, welke betrekking heeft op het regelen van de nodige documenten en het zorgvuldig samenstellen van de bagage; en ten slotte de geestelijke voorbereiding, waarmee hij bedoelde dat de reiziger zich dient te ontdoen van de verwachting dat het bezochte land aan zijn eigen maatstaven zal voldoen. Dit laatste punt gaf aanleiding tot een levendige discussie, waarbij het lid De Witte — altijd een man van uitgesproken opvattingen — aanvoerde dat zekere normen van beschaving toch wel universeel mogen worden geacht, een standpunt dat de heer Verhoeven met de glimlach van iemand die dit soort bezwaren reeds vele malen heeft gehoord, vriendelijk doch beslist van de hand wees.
Wij tekenen hierbij aan, ten behoeve van de lezer die niet in de gelegenheid was aanwezig te zijn, dat de sociëteit geen van beide standpunten als haar eigen opvatting aanvaardt. Het is immers de taak van de lezing om de geest te prikkelen, niet om de geest te sluiten.
De Houding van de Beschaafde Reiziger
Het tweede deel van de lezing handelde over wat de heer Verhoeven aanduidde als de houding — een begrip dat hij bewust ruim definieerde, zodat het zowel de lichamelijke presentatie als de geestelijke instelling omvatte. Een reiziger, zo stelde hij, vertegenwoordigt altijd meer dan zichzelf: hij vertegenwoordigt zijn land, zijn stand, zijn opvoeding en, in zekere zin, ook de generaties die hem zijn voorgegaan. Dit besef dient hem te behoeden voor gedrag dat in eigen omgeving wellicht door de vingers wordt gezien, maar elders als aanstootgevend of zelfs beledigend wordt ervaren.
Bijzondere aandacht besteedde de heer Verhoeven aan de tafel, dat eeuwige strijdtoneel van beschaving en barbarij, zoals hij het zelf formuleerde. De gewoonten rondom het eten en drinken verschillen per land en per cultuur dermate, dat zelfs de meest ervaren reiziger er goed aan doet zich van tevoren te informeren. Hij noemde in dit verband de kwestie van het toasten, de volgorde der gangen, het al dan niet aanvaarden van een tweede portie en de wijze waarop men zijn gastheer bedankt — onderwerpen die op het eerste gezicht futiel mogen lijken, maar die in werkelijkheid de toon zetten voor de gehele relatie met de mensen die men bezoekt. Onze leden, van wie een aanzienlijk deel zelf het een en ander heeft meegemaakt aan buitenlandse tafels, knikten op de wijze van lieden die herkenning ervaren.
Voorts sprak de heer Verhoeven over de kunst van het observeren zonder te oordelen — een vaardigheid die, naar zijn zeggen, door de meeste mensen wordt overschat. Men meent te observeren, maar men oordeelt. Men meent open te staan, maar men vergelijkt. De werkelijke reiziger, zo betoogde hij, weet een moment te scheppen van oprechte nieuwsgierigheid, waarin hij het vreemde beschouwt als het vreemde, zonder het onmiddellijk te meten aan de eigen gewoonten. Dit vereist oefening en, bovenal, een zekere bescheidenheid die niet altijd even vanzelfsprekend is bij lieden die gewend zijn in hun eigen omgeving gezag te dragen.
De Terugkeer en de Plicht tot Overlevering
Het derde en laatste deel van de lezing — en naar de mening van de ondergetekende het meest originele — handelde over de terugkeer. De heer Verhoeven begon met de constatering dat de meeste reizigers, eenmaal thuis, snel vervallen in de gebruikelijke sleur en de ervaringen van de reis laten wegzakken als een droom die men bij het ontwaken nog even vasthoudt, maar die toch onherroepelijk vervaagt. Dit, zo betoogde hij, is een gemiste kans — niet alleen voor de reiziger zelf, maar ook voor zijn omgeving.
De beschaafde reiziger, aldus de heer Verhoeven, heeft een plicht tot overlevering. Hij dient zijn ervaringen te ordenen, te beschrijven en te delen — niet in de vorm van het eindeloos tonen van fotografische afbeeldingen, waartegen hij zich met een merkbare felheid uitsprak, maar in de vorm van het gesproken en geschreven woord, van de anekdote verteld aan tafel, van de brief geschreven aan een vriend die het land eveneens kent. Juist in dit opzicht, zo merkte hij op, vervult een genootschap als het onze een functie die niet onderschat mag worden: het biedt de reiziger een podium en het biedt de toehoorder de mogelijkheid om te reizen zonder te vertrekken.
Dit laatste oogde bij verscheidene leden een glimlach, en terecht — want er zit onmiskenbaar iets van waarheid in. Niet ieder lid is meer in de gelegenheid verre reizen te ondernemen, hetzij om redenen van leeftijd, hetzij om redenen van gezondheid of andere omstandigheden die wij hier niet nader zullen benoemen. De lezing als vorm van plaatsvervangende ervaring is dan ook, zo mogen wij zeggen, een van de kostbaarste functies die onze sociëteit vervult.
Na afloop van de lezing werd, overeenkomstig de gebruiken van het huis, een eenvoudig doch smaakvol buffet aangeboden, waarbij de discussie zich op de haar eigen wijze voortzette in kleinere kringen. De heer Verhoeven bleef geruime tijd beschikbaar voor vragen en toonde daarin de welwillendheid van een man die zijn onderwerp werkelijk beheerst en niet bevreesd is voor tegenwerping. Wij danken hem, langs deze weg, nogmaals hartelijk voor zijn bijdrage aan het geestelijk leven van onze sociëteit, en spreken de hoop uit dat hij bereid zal zijn te zijner tijd een vervolglezing te verzorgen — ditmaal, naar zijn eigen suggestie, over de bijzondere uitdagingen van het reizen per trein door bergachtige streken, een onderwerp waarover hij, naar eigen zeggen, nog het nodige te zeggen heeft.
Deze kroniek werd opgesteld door de secretaris der sociëteit.