Er zijn avonden waarop de conversatie in de salons van onze sociëteit een bijzondere vlucht neemt, avonden waarop de spreker erin slaagt het alledaagse te ontstijgen en zijn toehoorders mee te voeren naar een domein van inzicht dat hen, ook na thuiskomst, niet loslaat. De lezing die de heer J.P. Vermeulen ons dezen avond schonk — gewijd aan het reizen als een oefening in geestelijke verdieping, in tegenstelling tot de hedendaagse vluchtigheid van het toerisme — behoort zonder enige twijfel tot die categorie. Het is mij als secretaris een eer en een plicht, het wezenlijke van zijn betoog hier vast te leggen, opdat ook zij die niet aanwezig konden zijn, kennis nemen van hetgeen werd gezegd.
Het Onderscheid tussen de Reiziger en de Toerist
De heer Vermeulen opende zijn uiteenzetting met een onderscheid dat, naar zijn eigen woorden, reeds door negentiende-eeuwse reizigers met zorg werd bewaakt, doch in onze tijd dreigt te vervagen tot een betekenisloos relict: het onderscheid namelijk tussen de reiziger en de toerist. De reiziger, zo betoogde hij, is iemand die zich met open geest en zonder vooropgezet schema aan een vreemd land overgeeft, bereid om te worden veranderd door hetgeen hij aantreft; de toerist daarentegen — en hier veroorloofde de spreker zich een lichte ironie, die door het gezelschap welwillend werd ontvangen — is iemand die zijn vertrouwde gewoonten in een koffer pakt en ze vervolgens elders uitpakt, zonder dat de omgeving hem wezenlijk raakt.
Dit onderscheid is, aldus de heer Vermeulen, niet louter een kwestie van stijl of smaak, maar raakt aan een fundamentele houding tegenover het leven zelf. De reiziger aanvaardt onzekerheid als een noodzakelijke voorwaarde voor groei; hij begrijpt dat een route die afwijkt van het plan hem wellicht naar een ontdekking voert die geen reisgids hem had kunnen bieden. De toerist, omgekeerd, ervaart die zelfde onzekerheid als een mislukking van de organisatie, als iets wat rechtgezet dient te worden. Men behoeft geen filosoof te zijn, zo merkte de spreker fijntjes op, om in te zien welke van beide houdingen het rijkere leven oplevert.
Verschillende leden van het gezelschap herkenden in deze schets hun eigen ervaringen, en na afloop van het formele gedeelte werd er in kleine kringen levendig gediscussieerd over de vraag of het mogelijk is — gegeven de hedendaagse omstandigheden van reizen, met hun gestandaardiseerde accommodaties en vooraf geboekte ervaringen — om überhaupt nog de ware reizigersgeest te cultiveren. De heer Vermeulen zelf mengde zich met zichtbaar genoegen in deze gesprekken, en zijn antwoorden, die hij met grote bedachtzaamheid formuleerde, gaven blijk van een belezenheid die de aanwezigen niet onberoerd liet.
De Rol van Voorbereiding en de Paradox van de Kennis
Een tweede thema dat de heer Vermeulen met bijzondere diepgang behandelde, betrof de paradox van de voorbereiding. Men zou verwachten, zo leidde hij dit gedeelte van zijn betoog in, dat grondige kennis van een bestemming de reiziger rijker maakt; en tot op zekere hoogte is dit ongetwijfeld waar. Wie de geschiedenis van een stad kent, wie de architectuur leest als een tekst en de gebruiken van de bevolking begrijpt als uitingen van een dieper liggende cultuur, zal meer zien dan de onvoorbereide bezoeker. Tot zover de gangbare opvatting.
Doch de heer Vermeulen voegde daaraan een nuancering toe die het gezelschap in stilte deed nadenken: er bestaat een punt waarop kennis de waarneming begint te verdringen. Wie met al te vaste verwachtingen aankomt, ziet niet langer wat er is, maar toetst slechts zijn voorkennis aan de werkelijkheid — en dat is een wezenlijk andere bezigheid. De ware reiziger, zo stelde hij, dient zijn kennis te dragen als een lichte mantel, niet als een harnas: aanwezig, maar niet belemmerend. Hij citeerde in dit verband — uit het hoofd, naar het scheen, en met een bescheidenheid die zijn eruditie des te aangenamer maakte — een oude reiziger die schreef dat het geheim van het goed reizen bestaat in het vermogen om telkens opnieuw te beginnen, ook al heeft men de bestemming reeds tien maal bezocht.
Dit bracht de heer Vermeulen op een praktische overweging die, naar mijn persoonlijke indruk, de meeste weerklank vond bij de aanwezigen: de kunst om, bij aankomst in een vreemde stad, de eerste uren bewust ongestructureerd te laten, zonder gids, zonder kaart, zonder agenda — om eenvoudigweg te lopen en te kijken, en de stad te laten spreken op haar eigen voorwaarden. Verscheidene leden betuigden achteraf hun instemming met dit beginsel, al merkte één der aanwezigen, een dame van rijpe ervaring en scherpe geest, op dat dit advies aanzienlijk gemakkelijker te volgen is voor hen die alleen reizen dan voor hen die een gezelschap leiden waarvan de verwachtingen uiteenlopen. Een observatie die de spreker met een glimlach en een buiging erkende als volkomen juist.
Het Diner en de Tafelgesprekken: Reizen als Onderwerp van Beschaving
Het is een gebruik van onze sociëteit — een gebruik dat ik hier met gepaste trots vermeld, daar het ons onderscheidt van menige andere vereniging van geestverwanten — dat de lezing niet eindigt met de laatste zin van de spreker, maar voortleeft in de tafelgesprekken die haar opvolgen. Het diner dat dezen avond werd aangeboden, bestond uit vier gangen van de soberheid die wij verkiezen boven overdaad, en de wijn — een droge witte van onmiskenbare kwaliteit, doch zonder pronk — deed zijn werk met de discretie die van een goede wijn mag worden verwacht.
Aan mijn tafel — en ik vermeld slechts hetgeen in het openbare gedeelte van de avond werd besproken, zulks overeenkomstig onze statuten en de gewoonte die wij in ere houden — ontspon zich een gesprek over de vraag welke bestemmingen men beschouwt als wezenlijk vormend voor de geest. De heer Vermeulen, die aan het hoofd van de lange tafel was gezeten, op de ereplaats die hem als spreker toekwam, hield vol dat het antwoord op die vraag minder afhangt van de bestemming zelf dan van de geestesgesteldheid waarmee men haar benadert. Een reis naar een nabijgelegen provinciestad, mits ondernomen met ware aandacht, kan meer opleveren dan een overhaaste doortocht door de beroemdste steden ter wereld.
Dit standpunt werd niet door allen gedeeld, en dat is juist zoals het behoort te zijn: een tafelgesprek dat uitmondt in algehele overeenstemming is een tafelgesprek dat zijn kans heeft gemist. Eén der leden, een heer wiens naam ik hier niet vermeld doch wiens reputatie als reiziger in de sociëteit algemeen bekend is, verdedigde met kracht de opvatting dat bepaalde plaatsen in de wereld een objectieve grootsheid bezitten die zich aan elke waarnemer opdringt, ongeacht zijn voorbereiding of geestesgesteldheid. De discussie die hierop volgde was levendig, beschaafd en — zoals de beste gesprekken — zonder conclusie.
Na het dessert werd, overeenkomstig ons gebruik, het woord gegeven aan de voorzitter voor zijn slotwoord. De voorzitter — die, zoals de leden weten, niet snel tot lof overgaat — prees de lezing van de heer Vermeulen als een van de meest stimulerende die de sociëteit in recente tijden heeft mogen ontvangen, en sprak de hoop uit dat de spreker bereid zou zijn in de toekomst nogmaals voor ons te spreken, ditmaal wellicht over de specifieke reizen die zijn denkbeelden hebben gevormd. De heer Vermeulen aanvaardde deze uitnodiging met de bescheidenheid van iemand die weet dat hij iets te zeggen heeft.
Enige Beschouwingen over het Aantrekken van Jongere Leden en de Toekomst van de Sociëteit
Het zij mij vergund, aan het einde van dit verslag, enkele woorden te wijden aan een kwestie die de avond weliswaar niet domineerde, doch die in de wandelgangen — en in de rookkamer, waar een kleine groep nog enige tijd bijeenbleef — met enige bezorgdheid werd besproken: de vraag naar de verjonging van ons ledenbestand.
Onze sociëteit telt, zoals de leden weten, een vaste kern van personen wier betrokkenheid bij de vereniging niet ter discussie staat. Doch de gemiddelde leeftijd van onze leden is, zonder dat men hierover in dramatische bewoordingen hoeft te spreken, een gegeven dat aandacht verdient. De vraag is niet of wij jongere leden wensen — dat wensen wij, en de statuten voorzien daarin — maar hoe wij hen bereiken en, belangrijker nog, hoe wij hen overtuigen dat wat wij bieden van waarde is in een tijd die de vluchtigheid verheft tot deugd.
De avond van de heer Vermeulen bood in dit opzicht, naar mijn bescheiden mening, een aanwijzing. Zijn betoog over het reizen als geestelijk avontuur, over de noodzaak van aandacht en vertraging in een wereld die voortdurend versnelt, is een boodschap die juist ook jongere mensen kan aanspreken — mits zij wordt aangeboden op een wijze die hen niet vervreemdt. De ballotage, die wij handhaven als een waarborg voor de kwaliteit van ons gezelschap, behoeft daarvoor niet te worden verzwakt; zij behoeft slechts te worden toegepast met de soepelheid die een levend instituut van een versteend onderscheidt.
Ik heb in mijn jaren als secretaris geleerd dat een sociëteit als de onze niet overleeft door te veranderen in iets anders, maar evenmin door onbeweeglijk te blijven. Zij overleeft door trouw te blijven aan haar wezen — de ernstige, nieuwsgierige conversatie over zaken die er werkelijk toe doen — terwijl zij de vormen waarbinnen dat wezen zich uitdrukt, met bedachtzaamheid aanpast aan de tijden. De lezing van de heer Vermeulen was een bewijs dat dit mogelijk is: hier was een man die over reizen sprak op een wijze die zowel de oudste als de jongste aanwezige boeide, zonder dat hij zijn ernst of zijn diepgang had opgeofferd aan gemakkelijkheid.
Het is, tot besluit, de taak van ons allen — leden, bestuur en secretariaat — om de avonden die wij organiseren zo te maken dat zij dit bewijs telkens opnieuw leveren. Daartoe strekke dit verslag, en daartoe strekken alle verslagen die, God geve, nog zullen volgen.