Verslag Buitengewone Lezing over Erfgoed en Reizen

Written by

in

Het doet de secretaris genoegen u te mogen berichten over de buitengewone lezing die onlangs binnen de muren van Sociëteit Quintessence werd gehouden, en wel over een onderwerp dat de leden — naar bleek — met meer hartstocht bezighoudt dan menigeen had vermoed: de verhouding tussen de hedendaagse reiziger en het beschermde erfgoed dat hij, al dan niet bewust, betreedt. De avond verliep, zoals het een sociëteit van onze standing betaamt, in een sfeer van welgeordende ernst, onderbroken door slechts die momenten van luchtigheid welke een ervaren spreker weet te doseren.

De spreker en zijn inleiding tot het onderwerp

Wij hadden ditmaal het genoegen een gast te ontvangen die, hoewel geen vast lid van onze kring, door verscheidene leden persoonlijk was aanbevolen en wiens naam in kringen van cultuurhistorici niet onbekend is. De heer Van Doesburg — ik zal hem zo aanduiden, zijn volledige naam werd op eigen verzoek niet in het verslag opgenomen — is verbonden aan een instelling die zich toelegt op de studie van monumentale gebouwen en de wijze waarop het publiek daarmee omgaat. Hij opende zijn betoog met een stelling die menig lid aanvankelijk deed fronsen: dat de moderne reiziger, hoe goedbedoeld ook, dikwijls een grotere bedreiging vormt voor het erfgoed dan de tand des tijds.

Deze provocerende these, zo benadrukte de heer Van Doesburg met de kalmte van iemand die gewend is aan tegenspraak, diende niet te worden opgevat als een aanklacht tegen de reiziger als zodanig, maar veeleer als een uitnodiging tot bezinning. Hij schetste hoe de massatoerist — een term die hij overigens met zichtbaar onbehagen bezigde — het draagvermogen van historische stadskern en kloostergangen overschrijdt, niet uit kwade wil, maar uit onwetendheid omtrent de kwetsbaarheid van wat hem omringt. De zaal luisterde aandachtig; slechts het zachte tikken van de pendule boven de schouw duidde op het verstrijken van de minuten.

Erfgoedbescherming en de rol van de overheid

Het betoog van de heer Van Doesburg voerde ons vervolgens naar de wettelijke kaders waarbinnen erfgoedbescherming in ons land gestalte krijgt. Hij wees erop dat de Nederlandse overheid ter zake over een uitgebreid instrumentarium beschikt — van aanwijzing tot subsidieverlening — en dat de burger die zich hierover wenst te informeren, terecht kan bij de informatie van de Rijksoverheid, waar regelingen omtrent monumentenzorg en cultureel erfgoed overzichtelijk zijn bijeengebracht. Het was een nuchtere opmerking, doch niet zonder gewicht: want wie reist, zo stelde de spreker, heeft niet alleen een esthetisch maar ook een juridisch en moreel belang bij kennis van de regels die het erfgoed bewaken.

Verscheidene leden reageerden op dit punt met vragen over de praktische handhaving. Hoe verhouden gemeentelijke verordeningen zich tot nationale wetgeving? En welke verantwoordelijkheid draagt de individuele reiziger ten opzichte van de eigenaar van een monument? De heer Van Doesburg beantwoordde deze vragen met een precisie die mij, als oud-notaris, weldadig aandeed. Hij maakte onderscheid tussen civielrechtelijke en bestuursrechtelijke verhoudingen, en onderstreepte dat onwetendheid van de wet — ook op dit terrein — geen verschoning biedt. De discussie die hierop volgde, was levendig doch ordelijk; de voorzitter behoefde slechts éénmaal te interveniëren.

Tafelgesprekken en de traditie van de gerichte discussie

Na de pauze — waarin, zoals gebruikelijk, de leden zich laafden aan wat de sociëteit op dit punt te bieden heeft, en waarbij de gesprekken de strekking van de lezing op aangename wijze voortzetten — werd de bijeenkomst voortgezet in de vorm van een geleide discussie aan tafel. Het is een gebruik dat wij bij Quintessence hooghouden en dat, naar de mening van de secretaris, de lezing pas werkelijk tot haar recht doet komen. Een voordracht, hoe doorwrocht ook, blijft een monoloog; het is de tafelgesprek die haar omvormt tot gemeenschappelijk bezit.

De discussie spitste zich toe op een drietal thema’s die ik hieronder, met de gepaste beknoptheid, weergeef:

  • De verantwoordelijkheid van de reisorganisator. Verscheidene leden betoogden dat niet de individuele toerist maar de organiserende partij — het reisbureau, de touroperator, de platformaanbieder — de voornaamste verantwoordelijkheid draagt voor verantwoord erfgoedbezoek. De heer Van Doesburg deelde deze opvatting slechts ten dele.
  • De waarde van de langzame reis. Een van onze oudste leden, wiens naam ik hier niet zal noemen doch wiens gezag in de zaal onbetwist is, pleitte met warmte voor wat hij “de reizende wandelaar” noemde: degene die één stad grondig leert kennen in plaats van vijf oppervlakkig te bezoeken. Zijn woorden werden met instemming ontvangen.
  • De rol van educatie. Meerdere stemmen pleitten voor een structurele erfgoededucatie, te beginnen op de basisschool, opdat de volgende generatie reizigers met meer besef van verantwoordelijkheid het culturele landschap betreedt.

Het is niet de gewoonte van de secretaris om standpunten van sprekers of leden over te nemen in dit verslag; de bovenstaande samenvatting dient dan ook louter als weergave van hetgeen werd gezegd, niet als blijk van instemming of afkeuring zijdens de sociëteit.

Beschouwingen over het ledenbestand en de toekomst van de sociëteit

Aan het einde van de avond — de spreker had zich inmiddels welgemoed teruggetrokken, na een hartelijk woord van dank van de voorzitter en de overhandiging van een bescheiden geschenk in de vorm van een gebonden exemplaar van onze statuten — vond een kort informeel overleg plaats onder de aanwezige leden. Het betrof een onderwerp dat de secretaris na aan het hart ligt en dat, bij gelegenheid, reeds vaker ter sprake is gekomen: de samenstelling van ons ledenbestand en de wenselijkheid van een voorzichtige verjonging.

Quintessence telt op dit moment drieënveertig gewone leden, van wie het merendeel de zestigjarige leeftijd heeft overschreden. Dit is, op zichzelf beschouwd, geen bezwaar — de rijpheid van inzicht die de jaren meebrengen, is voor een sociëteit als de onze een kostbaar goed — doch het stelt ons voor de vraag hoe de continuïteit van het genootschap op langere termijn te waarborgen. De ballotagecommissie heeft, naar ik met genoegen kan mededelen, reeds enkele namen van jongere kandidaten in overweging genomen. De procedure, zoals vastgelegd in onze statuten, verloopt zoals steeds met de nodige zorgvuldigheid en discretie.

Het is niet de bedoeling van de secretaris om hier in bijzonderheden te treden omtrent hetgeen in besloten kring werd besproken; de regels van de sociëteit zijn op dit punt helder en worden door hem met de gebruikelijke nauwgezetheid nageleefd. Wel zij vermeld dat de stemming onder de aanwezigen gematigd optimistisch was: men ziet de toekomst niet met zorg tegemoet, maar men acht waakzaamheid geboden. Een sociëteit die haar eigen voortbestaan als vanzelfsprekend beschouwt, heeft de voornaamste les van de geschiedenis niet begrepen.

Conclusie

De avond van de buitengewone lezing mag, naar het oordeel van de secretaris, worden beschouwd als een geslaagde bijeenkomst in de beste traditie van Sociëteit Quintessence. Het onderwerp — de reiziger en zijn verhouding tot het erfgoed — bleek rijker aan vertakkingen dan menigeen bij aanvang had verwacht, en de spreker wist zijn gehoor gedurende de gehele avond bij de les te houden, wat voor een gezelschap van deze samenstelling geen geringe prestatie is.

De secretaris spreekt zijn erkentelijkheid uit jegens allen die aan de avond hebben bijgedragen: de spreker, de voorzitter, de leden van het huishoudelijk comité dat de zaal op voorbeeldige wijze had ingericht, en uiteraard de leden zelf, wier betrokkenheid de sociëteit haar bestaansrecht verschaft. Het volgende verslag zal, naar verwachting, betrekking hebben op de jaarlijkse debatavond, waarvan het onderwerp thans nog in beraad is. U wordt daarvan te zijner tijd op de hoogte gesteld, op de wijze die u van ons gewend bent.

De secretaris, namens het bestuur van Sociëteit Quintessence.