Er zijn avonden waarop de conversatie in de zaal een bijzondere dichtheid aanneemt, alsof de woorden zwaarder wegen dan gewoonlijk en de stiltes tussen de zinnen van de spreker met meer aandacht worden beluisterd. Zulk een avond was het, toen de Sociëteit het genoegen mocht smaken een lezing te ontvangen over een onderwerp dat op het eerste gezicht eenvoudig lijkt — het reizen — doch bij nadere beschouwing raakt aan vragen van de diepste orde: waartoe verlaten wij de vertrouwde omgeving, wat zoeken wij in de verte, en keert men werkelijk als dezelfde persoon terug die men was bij het vertrek? De spreker, een man van gevorderde leeftijd wiens curriculum vitae meer continenten omspande dan de meeste leden in een leven bezoeken, nam ons mee langs gedachten die lang na het diner nog nagalmden in de wandelgangen.
Het Onderscheid tussen de Toerist en de Reiziger, zoals de Spreker dat Begreep
De spreker opende zijn betoog met een onderscheid dat, hoewel niet nieuw, door hem op een wijze werd uitgewerkt die menig lid tot nadenken stemde. Hij stelde — en ik geef zijn woorden zo getrouw mogelijk weer, zonder daarmede zijn standpunten als die van de Sociëteit te presenteren — dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de toerist en de reiziger, een verschil dat niet gelegen is in de klasse van het vervoer of de luxe van het verblijf, maar in de gesteldheid van de geest waarmede men vertrekt.
De toerist, aldus de spreker, reist met een lijst. Hij wenst het bekende te bevestigen: de kathedraal die hij in boeken zag, het gerecht dat hem beloofd werd, het uitzicht dat anderen hem hebben aanbevolen. Het reizen dient hem als een verzameling van ervaringen die hij, teruggekeerd, kan tonen als een handelaar zijn waren uitstalt. De reiziger daarentegen — en hier leunde de spreker enigszins voorover, hetgeen bij hem een teken van bijzondere nadruk bleek te zijn — de reiziger vertrekt met een vraag, niet met een antwoord. Hij is bereid te worden verrast, ja zelfs te worden ontregeld, en beschouwt die ontregeling niet als een mislukking doch als het eigenlijke doel van zijn onderneming.
Verscheidene leden reageerden hierop tijdens de discussieronde met nuanceringen die de avond verrijkten. Eén der oudere leden merkte op dat het onderscheid in de praktijk minder scherp is dan de theorie suggereert, en dat ook de meest doortastende reiziger een hotel boekt en een vliegtuig neemt. De spreker erkende dit met gratie en voegde eraan toe dat het hem om een houding ging, niet om een methode. De discussie die volgde was levendig zonder ooit de grenzen van het betamelijke te overschrijden, hetgeen de Sociëteit siert.
De Geestelijke Dimensie van het Vreemde, en wat Thuiskomen Betekent
Het tweede deel van de lezing betrof een thema dat de spreker met zichtbare persoonlijke betrokkenheid behandelde: de werking van het vreemde op de geest van de reiziger. Hij sprak over de ervaring — door hem herhaaldelijk opgedaan in verre landen waarvan hij de namen met een zekere terughoudendheid noemde, alsof zij kostbaarheden waren die hij niet lichtvaardig wilde prijsgeven — dat de confrontatie met een volledig andere levenswijze, een andere taal, een ander begrip van tijd en ruimte, iets in de reiziger losweekt dat in de vertrouwde omgeving verborgen blijft.
Hij gebruikte het woord desorientatie niet als klacht maar als lof. De mens die niet weet waar hij is, die de gewoonten van zijn dagelijks bestaan niet langer als vanzelfsprekend kan hanteren, wordt gedwongen zichzelf opnieuw waar te nemen. Welke gewoonten zijn werkelijk de zijne, en welke heeft hij slechts overgenomen omdat zij hem omringden? Het reizen, in deze opvatting, is een spiegel die men niet thuis kan ophangen.
Bijzonder treffend — en ik veroorloof mij hier een persoonlijke observatie, wat de secretaris doorgaans vermijdt — was het moment waarop de spreker het thuiskomen besprak. Hij stelde dat de werkelijke reis niet eindigt bij aankomst op het thuisstation, maar in de weken daarna, wanneer de reiziger langzaam begrijpt wat hij heeft meegebracht. Niet de souvenirs, niet de foto’s, maar de verschuiving in perspectief: de eigen straat die er plotseling anders uitziet, de eigen gewoonten die men nu van een afstand beziet. Het vreemde, zo besloot hij dit deel, werkt na als een goed gesprek.
Over de Vraag of Reizen een Deugd is, en de Tafel als Bestemming op Zichzelf
Het derde en laatste deel van de lezing gaf aanleiding tot de levendigste gedachtewisseling van de avond, hetgeen de Sociëteit welgevallig is, want wij zijn niet bijeen om te luisteren alleen, maar om te denken. De spreker stelde de vraag of reizen een deugd is in de klassieke zin van het woord, dat wil zeggen: een eigenschap die de mens beter maakt, niet enkel gelukkiger of wijzer, maar beter in zijn verhouding tot anderen.
Hij betoogde dat het reizen, mits met de juiste gezindheid ondernomen, de neiging tot zelfgenoegzaamheid vermindert. Wie heeft gezien hoe anders anderen leven — niet slechter, niet beter, maar anders — verliest iets van de vanzelfsprekendheid waarmede hij zijn eigen gebruiken als de enig mogelijke beschouwde. Dit, aldus de spreker, is een bescheiden maar reële morele winst.
Doch hij voegde er onmiddellijk een bedenking aan toe die in de zaal een instemmend gemurmel opriep: niet iedereen heeft de middelen, de gezondheid of de vrijheid om ver te reizen, en het zou een ernstige vergissing zijn de deugd van het reizen te reserveren voor de bevoorrechten. Hier introduceerde hij een gedachte die de avond op een onverwachte wijze afrondde: dat de tafel — de gezamenlijke maaltijd, het gesprek bij wijn en kaars, de bereidheid om een vreemde gedachte te ontvangen zonder haar onmiddellijk te verwerpen — een bestemming op zichzelf is. Men kan aan een goed gedekte tafel reizen zonder de stad te verlaten.
Het was een gedachte die de leden, zo meen ik te mogen waarnemen, met bijzondere welwillendheid ontvingen, niet in het minst omdat zij de waarde bevestigde van precies hetgeen wij als Sociëteit wekelijks trachten te beoefenen. De spreker ontving een langdurig applaus, en het diner dat volgde — een uitstekende wildschotel, naar het oordeel van kenners aan tafel — droeg de sporen van een avond waarop de gesprekken nog lang niet uitgeput waren bij het dessert. Zulke avonden zijn, naar de bescheiden mening van de secretaris, de reden waarom een sociëteit bestaat.