Verslag van de Buitengewone Lezing over de Herleving van de Reiscultuur

Written by

in

Zelden heeft een spreker in de zaal van Quintessence een onderwerp aangesneden dat zozeer de gemoederen in beweging bracht als de heer mr. drs. H.J. Verlinden deed op de avond waarop hij ons vergastte op zijn beschouwingen over de hedendaagse reiscultuur en de vraag of het reizen, als beschavende en verrijkende bezigheid, zijn vroegere waardigheid heeft teruggewonnen, dan wel definitief is vervallen tot een amusementsartikel voor de massa. De lezing trok een bezetting van de zaal die wij, zonder overdrijving, als uitzonderlijk mogen kwalificeren.

De Spreker en Zijn Stelling

De heer Verlinden, die door onze voorzitter werd geïntroduceerd als oud-ambassadeur en auteur van enige gezaghebbende werken over diplomatieke protocollen en de etiquette van het internationale verkeer, opende zijn betoog met een onderscheid dat hij zelf als fundamenteel beschouwde: het verschil, namelijk, tussen het reizen als daad van nieuwsgierigheid en het reizen als consumptie van beelden. Hij stelde — en ik geef zijn woorden zo getrouw mogelijk weer, zonder daarmee zijn standpunt voor dat van de sociëteit te doen doorgaan — dat de hedendaagse reiziger in toenemende mate de werkelijkheid van een bestemming vervangt door de verwachting die hij reeds thuis heeft opgebouwd, en dat hij ter plaatse slechts zoekt naar de bevestiging van wat hij reeds meende te weten.

Deze stelling wekte, zoals te verwachten viel, enige beroering onder de aanwezige leden. De heer Van Raalte, die als oud-reder een bijzondere vertrouwdheid heeft met verre kusten, merkte op dat de spreker wellicht te weinig gewicht toekende aan de onvermijdelijke rol die voorbereiding speelt bij elke serieuze reis. De heer Verlinden, die niet wars bleek van tegenspraak, erkende dit bezwaar met een buiging, doch hield staande dat voorbereiding en vooringenomenheid twee wezenlijk verschillende grootheden zijn, die men niet straffeloos mag verwarren. De discussie die hierop volgde, was levendig van toon maar onberispelijk van vorm, hetgeen wij als secretaris met voldoening mogen noteren.

Bijzonder treffend achtten verscheidene leden het moment waarop de heer Verlinden de zogenaamde Grand Tour van de achttiende-eeuwse jonge edelman aanhaalde als een model dat, in zijn kern, nog steeds navolging verdient: een reis die niet louter vermaak beoogde, maar de vorming van het karakter, de kennismaking met andere rechtsstelsels, kunsttradities en tafelgewoonten, en de oefening in het verdragen van ongemak als voorwaarde voor het waarderen van verfijning. Of dit model, in enigerlei aangepaste gedaante, in onze tijd nog levensvatbaar is, liet de spreker met welberekende openheid aan de vergadering over.

Het Debat en de Kwestie van de Informatieovervloed

Na de pauze — gedurende welke de heren zich te goed deden aan een koud buffet dat, naar het oordeel van onze penningmeester, de grenzen van het gebruikelijke budget op welkome wijze deed vergeten — werd het woord geopend voor een breder debat. Het was de heer dr. Bosman, arts van beroep en liefhebber van de Levant, die de vraag opwierp in hoeverre de hedendaagse overvloed aan reisinformatie de reiziger nu eigenlijk dient, dan wel hem berooft van de noodzakelijke onzekerheid die elke werkelijke ontdekking voorafgaat.

De heer Verlinden antwoordde hierop met een verwijzing naar de wijze waarop publieke informatiekanalen — hij noemde in dit verband onder meer de berichtgeving zoals men die aantreft bij grote nieuwsorganisaties als de NOS — de beeldvorming over bepaalde regio’s in hoge mate bepalen, soms op een wijze die de nuance die een ervaren reiziger ter plaatse zou aantreffen, niet altijd ten volle recht doet. Hij bedoelde hiermee geenszins een verwijt aan het adres van de journalistiek, zo benadrukte hij met zorg, maar wees op het structurele verschil tussen de noodzakelijk beknopte nieuwsberichtgeving en de gelaagde werkelijkheid die slechts door langdurig verblijf en persoonlijk contact te doorgronden valt.

Dit punt gaf aanleiding tot een beschouwing van de heer mr. Pietersen over de wijze waarop reisverhalen in de negentiende-eeuwse literatuur functioneerden als een alternatief voor de directe ervaring: men las Flaubert of Fromentin en meende daarmee Egypte te kennen, terwijl men in werkelijkheid slechts de Egypte van Flaubert of Fromentin had leren kennen. De parallel met het heden, zo merkte de heer Pietersen met een zekere genoegzaamheid op, laat zich zonder moeite trekken. De vergadering betoonde haar instemming met een gemurmel dat wij als goedkeurend mogen kwalificeren.

Voorts werd gesproken over de vraag of een sociëteit als de onze een bijzondere verantwoordelijkheid draagt in het cultiveren van wat de heer Verlinden aanduidde als de “beschouwende reiszin”: de bereidheid om een bestemming niet te consumeren maar te overdenken, niet te fotograferen maar te doorleven. Wij onthielden ons, als secretaris, van een oordeel over deze stelling, doch noteerden haar met de zorgvuldigheid die zij verdient.

Tafelgebruiken, Ballotage en de Vraag naar Jongere Leden

Na afloop van het formele debatgedeelte werd de avond besloten met een diner aan de lange tafel, waarbij de plaatsindeling, zoals gebruikelijk, door de voorzitter persoonlijk was vastgesteld op gronden die hij niet pleegt toe te lichten maar die door de leden doorgaans als wijs worden ervaren. Het menu, samengesteld door ons vaste keukenpersoneel in overleg met de commissie voor huishoudelijke zaken, omvatte een wildsoep, een gerecht van gevogelte en een dessert dat door verscheidene leden werd geroemd om zijn terughoudendheid — een kwalificatie die wij, in de context van de tafel, als de hoogste beschouwen.

Aan het einde van het diner nam de voorzitter het woord voor enige mededelingen van huishoudelijke aard, waaronder de aankondiging dat de ballotagecommissie in de komende weken bijeen zal komen ter bespreking van drie ingediende kandidaturen. Wij herinneren de leden eraan dat de procedure, zoals neergelegd in het reglement van orde, voorziet in een schriftelijke stemming na een beraadslagingsperiode van niet minder dan vier weken, en dat de uitkomst van die stemming, overeenkomstig het gebruik, niet buiten de kring van de commissie wordt bekendgemaakt dan nadat de kandidaat zelf is geïnformeerd. Wij verzoeken de leden die kennis dragen van de betrokken kandidaturen, zich te onthouden van informeel commentaar in de wandelgangen van de sociëteit, hoe begrijpelijk de nieuwsgierigheid ook moge zijn.

In dit verband wenste de voorzitter ook een woord te wijden aan de kwestie die in de bestuursvergadering van de vorige maand uitvoerig aan de orde is gesteld — en waarover wij, naar de aard van die vergadering, niet in bijzonderheden kunnen treden — namelijk de vraag hoe de sociëteit haar aantrekkelijkheid voor jongere gegadigden kan vergroten zonder daarbij de karakteristieke ernst en de ceremoniële traditie te verwateren die Quintessence sedert haar oprichting kenmerken. De voorzitter sprak zijn overtuiging uit dat deze twee doelstellingen niet in tegenspraak zijn, mits men bereid is de vormen te onderscheiden van de waarden die zij uitdrukken. Welke concrete maatregelen hij in dit verband voor ogen heeft, zal te zijner tijd worden meegedeeld op de wijze die het reglement voorschrijft.

Wij mogen in dit verband opmerken — en wij doen dit als kroniekschrijver, niet als bestuurslid — dat de avond van de heer Verlinden op dit punt een onbedoeld maar welkom bewijs leverde: verscheidene leden van jongere leeftijd, ditmaal aanwezig op uitnodiging van bestaande leden, betoonden een betrokkenheid bij het debat die ons met een voorzichtig optimisme vervult. Of dezen te zijner tijd de weg naar de ballotagecommissie zullen vinden, valt thans niet te voorspellen, maar de avond heeft in elk geval aangetoond dat het onderwerp van de reiscultuur, mits met de nodige diepgang behandeld, ook degenen weet te boeien die gewend zijn hun informatie langs snellere kanalen te betrekken.

Conclusie

De avond met de heer Verlinden mag, naar ons oordeel, worden bijgeschreven in de rij van de geslaagde bijeenkomsten die de sociëteit in haar geschiedenis telt. Het onderwerp — de reiscultuur als spiegel van beschaving — bleek vruchtbaar genoeg om meningsverschillen te doen ontbranden zonder de harmonie te verstoren, hetgeen wij als de eigenlijke toetssteen beschouwen van een geslaagd debat. Wij danken de heer Verlinden voor zijn bereidwilligheid, de leden voor hun aanwezigheid en hun bijdragen, en het keukenpersoneel voor de wildsoep, die bijzonder geslaagd was. Het volgende verslag zal, naar wij verwachten, de lezing van mevrouw prof. dr. Van den Berg over de geschiedenis van de Europese kuuroorden betreffen, welke avond reeds nu een bijzondere verwachting wekt.