Over de Kunst van het Reizen als Gespreksonderwerp

Written by

in

Er bestaat, zo heeft de ondergetekenaar in zijn lange loopbaan als secretaris dezer sociëteit mogen vaststellen, geen onderwerp dat de leden van Quintessence met zoveel onmiddellijke levendigheid in beweging brengt als het reizen. Zodra een spreker aan de lessenaar plaatsneemt en zijn inleiding opent met een verwijzing naar een verre bestemming, een onbekend klimaat of een beschaving die zich wezenlijk van de onze onderscheidt, trekt er iets door de zaal dat men slechts kan omschrijven als een collectieve waakzaamheid: de handen rusten van het kristalglas, de schouders richten zich, en zelfs de meest bezadigde leden — en er zijn er onder ons die bezadigdheid tot een ware levenskunst hebben verheven — lijken een fractie naar voren te bewegen. Het reizen raakt iets dat dieper ligt dan de gebruikelijke intellectuele nieuwsgierigheid. Het raakt, zo vermoedt de secretaris, aan de herinnering aan eigen tochten, aan het verlangen naar wat men nog niet gezien heeft, en aan de fundamentele menselijke neiging om de eigen wereld te meten aan die van anderen.

De Lezing als Verslag en als Uitnodiging

In de traditie van onze sociëteit heeft de reislezing altijd een bijzondere plaats ingenomen, onderscheiden van de politieke voordracht of de wetenschappelijke mededeling door haar onmiskenbaar persoonlijke karakter. De reiziger die voor ons staat, spreekt immers niet louter als deskundige of als geleerde — hoewel beide kwaliteiten hem sieren — maar ook als getuige. Hij heeft ergens gestaan. Hij heeft de lucht geroken, de warmte of de kou op zijn huid gevoeld, de taal gehoord zonder haar noodzakelijkerwijs te begrijpen. Dit getuigeniskarakter verleent de reislezing een onmiddellijkheid die andere voordrachten soms ontberen, en het is precies die onmiddellijkheid die het debat na afloop zo vruchtbaar maakt.

Het is in dit verband vermeldenswaard dat onze sociëteit van oudsher de gewoonte heeft gehanteerd om sprekers te verzoeken hun ervaringen niet uitsluitend in de vorm van een reisverslag te gieten, maar tevens een stelling of een vraagstelling mee te brengen die de vergadering tot nadenken noopt. De reiziger die slechts vertelt wat hij zag, vermaak ons; de reiziger die ons dwingt te vragen waarom dat wat hij zag ons iets zegt over onszelf, verrijkt ons. Dit onderscheid, zo heeft de voorzitter het bij meerdere gelegenheden geformuleerd, is niet van geringe betekenis voor de selectie van sprekers, en de commissie belast met de programmering neemt het ter harte.

De praktijk heeft uitgewezen dat de meest geslaagde reislezingen doorgaans niet de meest exotische bestemmingen betreffen. Een spreker die ons meevoert naar een afgelegen archipel of een onbegaanbaar gebergte, kan boeien door het spectaculaire alleen; maar de spreker die een ogenschijnlijk vertrouwd Europees landschap weet te ontsluiten op een wijze die het vertrouwde vreemd maakt en het vreemde herkenbaar, bewijst een diepere intellectuele dienst. De leden van Quintessence hebben, naar de mening van de secretaris, steeds een fijnzinnig gevoel gehad voor dit onderscheid.

Het Gesprek na de Lezing: Tafel, Wijn en Debat

Wie onze avonden kent, weet dat de eigenlijke gedachtewisseling niet zelden begint nadat de officiële discussie is gesloten en de tafel gedekt is. Het is een oud gebruik binnen onze muren dat de spreker na zijn voordracht aanschuift bij het diner, niet aan het hoofd van de tafel — want dat is de plaats van de voorzitter en zal dat blijven — maar op de ereplaats rechts van hem, waar hij bereikbaar is voor vragen die te persoonlijk of te speculatief zijn voor de grote zaal. De secretaris, die bij deze gelegenheden zijn aantekeningen ter zijde legt en zich permitteert een gast te zijn als alle anderen, heeft menig gesprek bijgewoond dat in dit bestek een wending nam die de formele lezing zelden neemt.

Het reizen als onderwerp leent zich bij uitstek voor de tafel. Anders dan politieke of juridische kwesties, die al snel een zekere scherpte aannemen die de spijsvertering niet ten goede komt, roept het reizen associaties op die iedereen in de gelegenheid stellen bij te dragen: de ene herinnert zich een haven in het zuiden, de andere een bergpas in het noorden, een derde heeft slechts een boek gelezen over de bestemming in kwestie maar draagt daarmee niet minder bij aan het gesprek. Er ontstaat wat men zou kunnen noemen een gedeelde ruimte van verbeelding, en het is in die ruimte dat de sociëteit haar eigenlijke functie vervult.

Men vergeve de secretaris een korte persoonlijke terzijde: hij heeft in zijn notariële jaren menig contract zien sluiten en menig geschil zien beslechten, maar de meest duurzame verbindingen tussen mensen — vriendschappen die decennia standhielden, samenwerkingen die vrucht droegen — zijn in zijn waarneming niet ontstaan bij de ondertekening van akten, maar bij de tafel, in het gesprek dat nergens heen hoefde. De reislezing gevolgd door een gezamenlijk diner is, in dit opzicht, een van de meest beschaafde sociale uitvindingen die de secretaris kent.

Wat betreft de wijnen die bij dergelijke avonden worden geschonken: de wijncommissie pleegt haar keuze af te stemmen op de geografische herkomst van het onderwerp der lezing, een gebruik dat door de leden met instemming wordt ontvangen en dat de avond een zekere thematische eenheid verleent. Het spreekt vanzelf dat over de precieze overwegingen die aan deze keuze ten grondslag liggen, de commissie haar eigen wijsheid bewaart.

Over het Aantrekken van Jongere Leden en de Rol van het Reizen

Een vraagstuk dat de bestuursvergaderingen van Quintessence met zekere regelmaat bezighoudt — en waarover de secretaris zich, bij monde van dit kroniek, enige openheid veroorlooft — is de verjonging van het ledenbestand. De sociëteit bestaat bij de gratie van haar leden, en de leden bestaan bij de gratie van de ballotage, welke procedure de kwaliteit van het gezelschap waarborgt maar tevens, indien niet met zorg beheerd, de toestroom van nieuwe generaties kan belemmeren. Het is een spanning die elke besloten vereniging van enige ouderdom kent, en het zou getuigen van weinig zelfkennis haar te ontkennen.

Nu heeft de ondergetekenaar de stellige indruk — gebaseerd op observatie en op gesprekken die, naar hun aard, buiten het bereik van dit verslag vallen — dat het onderwerp reizen bij uitstek geschikt is om jongere kandidaat-leden aan te spreken. De generatie die thans haar dertigste of veertigste levensjaar nadert, heeft doorgaans meer van de wereld gezien dan haar ouders op die leeftijd; zij heeft gereisd niet louter als toerist maar als zoeker, als waarnemer, als iemand die de eigen vooronderstellingen wenst te toetsen. Dergelijke mensen vinden in de reislezing een genre dat hen aanspreekt, en in de discussie die volgt een gezelschap dat hen uitdaagt.

De ballotage, zo wil de secretaris hier benadrukken, is geen instrument van uitsluiting maar van selectie op grond van karakter en bijdrage. Een kandidaat die blijk geeft van oprechte intellectuele nieuwsgierigheid, van de bereidheid te luisteren en te spreken, en van een zekere beschaving in omgang en opvatting, maakt bij de commissie meer indruk dan diploma’s of titels alleen. Het reizen, en de wijze waarop iemand over zijn reizen spreekt, zegt in dit opzicht soms meer dan een curriculum vitae van tien pagina’s.

De sociëteit heeft er derhalve baat bij het thema reizen niet te behandelen als een bijzaak of een vermaakselement, maar als een volwaardig onderdeel van haar intellectuele programma. Lezingen over de kunst van het waarnemen op reis, over de verhouding tussen de reiziger en zijn gastheer, over wat men terugbrengt van een lange tocht — niet aan souvenirs, maar aan inzichten — verdienen een vaste plaats in het jaarlijkse programma. Zij trekken sprekers van formaat, zij boeien leden van alle leeftijden, en zij openen de deur voor de jongere generatie die de sociëteit nodig heeft om te blijven wat zij is: een levend gezelschap, geen monument.

De secretaris sluit deze beschouwing af met de aantekening dat hij haar heeft geschreven op een avond waarop de zaal leeg was en de stoelen omgekeerd op de tafels stonden, maar waarop de echo van vroegere gesprekken, naar zijn gevoel, nog volop aanwezig was.