Er zijn avonden waarop de conversatie in de zalen van onze sociëteit een bijzondere vlucht neemt — avonden waarop men na afloop niet zomaar zijn jas aantrekt en vertrekt, maar nog geruime tijd blijft staan, glas in hand, om hetgeen gezegd werd te laten bezinken. De lezing die ik u thans in dit verslag beschrijf, behoorde zonder enige twijfel tot die categorie. Het onderwerp was het reizen: niet als logistieke onderneming, niet als aaneenschakeling van bezienswaardigheden, maar als een innerlijke gesteldheid die de reiziger vormt en, indien hij er ontvankelijk voor is, hem blijvend verandert. Wij waren met een kring van zesendertig leden bijeen, een getal dat, naar de smaak van uw secretaris, de zaal juist de gewenste intimiteit verleende.
De Spreker en Zijn Inleiding
De heer H., die op verzoek van het bestuur optrad en wiens naam op uitdrukkelijk verzoek van hemzelf tot een initiaal wordt beperkt in dit verslag, is een man van gevorderde leeftijd en uitgesproken opvattingen. Hij heeft, naar eigen zeggen, meer jaren op doorreis doorgebracht dan in vaste woonplaats, en men zag dat aan hem: aan de kalmte waarmee hij de zaal opnam, aan de manier waarop hij zijn notities openvouwde zonder er ook maar één blik op te werpen. Zijn inleiding was kort en raak. Het reizen, zo stelde hij, is door de eeuwen heen verward met het toerisme, en die verwarring heeft de mensheid geen goed gedaan. De toerist, aldus de spreker, begeeft zich naar een bestemming om iets te bevestigen wat hij reeds wist. De reiziger vertrekt om ontdekt te worden — door de wereld, maar bovenal door zichzelf.
Verscheidene leden knikten bij deze openingsstelling, anderen fronsten de wenkbrauwen, en dat contrast — dat is precies wat een goede lezing onderscheidt van een voordracht waarbij men slechts de eigen overtuigingen hoort weergalmen.
Het Onderscheid Tussen Reizen en Vluchten
Een van de meer prikkelende stellingen die de heer H. in de loop van de avond ontvouwde, betrof het verschil tussen het reizen als bewuste daad en het reizen als vlucht. Hij was niet de eerste die dit onderscheid maakte, erkende hij met gepaste bescheidenheid, maar hij meende dat het in onze tijd meer dan ooit relevant is. Wie reist om aan zichzelf te ontkomen, zo betoogde hij, neemt zichzelf altijd mee — en dat is een bagage die men niet bij de bagageband achterlaat.
Werkelijk reizen, in de zin die de spreker beoogde, vereist een zekere leegte bij aanvang: de bereidheid om de eigen gewoonten, vooroordelen en verwachtingen als het ware in de garderobe achter te laten. Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan, en de heer H. was eerlijk genoeg om toe te geven dat hij er zelf ook niet altijd in slaagt. Zijn beschrijving van een verblijf in een bergstreek — zonder verdere geografische aanduiding, want hij hechtte er kennelijk aan zijn ervaringen te universaliseren — illustreerde hoe zelfs de meest doorgewinterde reiziger zijn eigen culturele bril zelden volledig afzet. Het was een passage die enige hilariteit wekte, en terecht.
Lid Mevrouw V. stelde vanuit de zaal de vraag of men dan niet beter thuis kon blijven en de innerlijke reis ondernemen. De heer H. glimlachte en antwoordde dat hij die vraag had verwacht, maar dat de buitenwereld een onmisbare weerstand biedt die de verbeelding alleen niet kan leveren. De confrontatie met het onbekende, het ongemakkelijke, het onbegrijpelijke — dat is de slijpsteen waarop het karakter wordt gewet.
De Rol van Traagheid in het Reizen
Uw secretaris noteerde met bijzondere aandacht het gedeelte van de lezing dat gewijd was aan wat de spreker de deugd van de traagheid noemde. In een tijd waarin de afstand tussen continenten tot een kwestie van uren is gereduceerd, heeft men, aldus de heer H., de illusie gecreëerd dat men daadwerkelijk meer ziet. Het tegendeel is waar. De snelheid waarmee men zich verplaatst, staat in omgekeerde verhouding tot de diepte van het begrip dat men verwerft.
Hij citeerde — zonder bronvermelding, want hij sprak uit het hoofd — de oude gedachte dat een stad niet werkelijk gekend wordt door wie er slechts doorheen rijdt, maar door wie er dwaalt, verdwaalt en opnieuw dwaalt. Het voetgangersperspectief, zo meende hij, is niet slechts een kwestie van snelheid maar van houding: wie loopt, is gedwongen te zien. Wie vliegt, ziet wolken.
Dit deel van de lezing gaf aanleiding tot een levendig debatje — men mag het geen debat noemen, want daarvoor ontbrak de gestructureerde tegenstelling, maar de uitwisseling was niet zonder scherpte — over de vraag of traagheid een luxe is die niet iedereen zich kan veroorloven. De heer H. erkende dit bezwaar ruiterlijk, maar voegde eraan toe dat traagheid ook een mentale instelling is, los van de feitelijke reisduur. Men kan langzaam reizen in een snel voertuig, indien men zijn aandacht de juiste richting geeft.
Gastvrijheid als Sleutel tot de Vreemde Cultuur
Een hoofdstuk apart — en naar het oordeel van uw secretaris het meest doorleefde gedeelte van de avond — betrof de gastvrijheid: niet die welke men als reiziger ontvangt, maar die welke men bereid moet zijn te geven. De heer H. betoogde dat de westerse reiziger doorgaans te snel geneigd is zichzelf als ontvanger te beschouwen. Hij gaat naar een land, hij neemt zijn cultuur in ontvangst, hij fotografeert, hij proeft, hij keert terug. Maar gastvrijheid, in de diepere betekenis van het woord, is wederkerig: zij vereist dat men ook iets van zichzelf aanbiedt — kwetsbaarheid, nieuwsgierigheid, de bereidheid om niet te begrijpen en dat te verdragen.
Hij beschreef hoe hij, op een reis die hij niet nader dateerde, gedurende verscheidene weken te gast was bij een familie wier taal hij niet sprak en wier gebruiken hem aanvankelijk volkomen ondoorzichtig waren. De sleutel tot begrip, zo ontdekte hij, was niet de woordenboeken die hij bij zich had, maar de maaltijden die hij deelde. Aan tafel, zo stelde hij, wordt meer gecommuniceerd dan in elk gesprek. Uw secretaris, die de maaltijden van onze eigen sociëteit altijd als het hart van onze bijeenkomsten heeft beschouwd, kon zich in deze overtuiging geheel vinden — al paste het hem niet dit te kennen te geven tijdens de lezing zelf.
De Terugkeer als Tweede Reis
Opmerkelijk en, naar het gevoel van uw secretaris, enigszins onverwacht was het slotgedeelte van de lezing, dat geheel gewijd was aan de terugkeer. De heer H. verdedigde de stelling dat de reis pas werkelijk begint wanneer men thuiskomt. Hetgeen men heeft meegemaakt, heeft immers nog geen vaste vorm gekregen; het is ruw materiaal, dat door de herinnering, de reflectie en het gesprek geleidelijk zijn betekenis verkrijgt.
Hij keerde zich — met enige welsprekende felheid, die de zaal verraste — tegen de gewoonte om de reis onmiddellijk te documenteren, te delen en te etiketteren. Het beeld dat men vastlegt op het moment zelf, is nog niet de ervaring: het is slechts de schil ervan. De kern wordt pas zichtbaar wanneer men de tijd heeft gehad om te vergeten wat onbelangrijk was en te bewaren wat wezenlijk is. Reizen, in zijn ogen, is een langzame kunst — en de langzaamste fase is die welke men thuis doorbrengt.
Lid de heer P. merkte op dat dit een troostrijke gedachte was voor wie weinig gelegenheid had te reizen: ook de thuisblijver kan, via de herinnering aan vroegere reizen, nog altijd onderweg zijn. De heer H. nam dit over met een vriendelijk gebaar, al was uw secretaris er niet geheel zeker van of de spreker het als een aanvulling of als een milde misvatting beschouwde.
Nawoord van de Secretaris
Na afloop van de lezing werd, overeenkomstig onze vaste gebruiken, de tafel gedekt voor het diner. Het menu was, zoals altijd bij lezingsavonden, sober van opzet maar zorgvuldig van uitvoering: men sprak er met de mond en met de geest. De conversatie aan tafel cirkelde nog geruime tijd rond de stellingen van de heer H., en uw secretaris verheugde zich erover te horen hoe ook de jongere leden — van wie wij er de laatste seizoenen, niet zonder moeite maar met toenemend succes, enkele hebben weten te verwelkomen — zich met volle overtuiging in het debat mengden.
Het is immers de bedoeling van onze sociëteit niet slechts een kring van gelijkgezinden te zijn, maar een ruimte waar gedachten worden uitgewisseld, beproefd en, indien nodig, herzien. Dat de lezing over het reizen daartoe heeft bijgedragen, staat voor uw secretaris buiten kijf. Wie meende dat reizen een aangelegenheid was van vliegtuigtickets en hotelkamers, vertrok die avond met een lichtelijk gewijzigde opvatting. En dat, geachte leden, is precies wat een goede avond in onze sociëteit behoort te bewerkstelligen.