Category: Uncategorized

  • Verslag der Avond over de Kunst van het Reizen

    Het is de secretaris dezer sociëteit een genoegen u te mogen informeren omtrent de meest recente lezing welke binnen de muren van Quintessence werd gehouden, een avond gewijd aan een onderwerp dat de leden, naar hun eigen zeggen, na aan het hart ligt: de kunst van het reizen in haar meest beschaafde en doordachte vorm. De spreker, een voormalig diplomaat wiens naam op verzoek niet in dit verslag wordt vermeld, wist een zaal van aandachtige toehoorders ruim twee uren lang te boeien met beschouwingen die zowel praktisch als filosofisch van aard waren.

    De Vraag die de Avond Opende: Wat Onderscheidt de Reiziger van de Toerist?

    De spreker opende zijn betoog met een stelling die, zo mag de secretaris opmerken, onmiddellijk een zekere spanning in de zaal teweegbracht — een spanning van de aangename soort, die kenmerkend is voor avonden waarop werkelijk iets gezegd wordt. Hij stelde, met de kalmte die men van een man van zijn achtergrond mag verwachten, dat het merendeel der mensen in onze tijd niet reist, maar verplaatst wordt. De toerist, zo luidde zijn betoog, onderwerpt zich aan een schema dat anderen voor hem hebben samengesteld, consumeert bezienswaardigheden als gerechten van een vast menu, en keert huiswaarts met fotografisch bewijs van zijn aanwezigheid op plaatsen die hij in wezen nimmer heeft betreden.

    De reiziger daarentegen — en hier werd de spreker merkbaar geanimeerd — is iemand die zich in de onzekerheid begeeft met een zekere voorbereiding, maar zonder de pretentie alles te willen beheersen. Hij heeft kennis vergaard omtrent de geschiedenis, de zeden en de taal van het land dat hij bezoekt, niet om te pronken, maar om werkelijk te kunnen waarnemen. Wie niets weet van de architectuurgeschiedenis van een stad, zo merkte de spreker op, ziet slechts gevels; wie de context kent, ziet beschaving in steen gehouwen.

    De zaal reageerde op deze opening met het soort stilte dat de secretaris altijd beschouwt als het meest welsprekende applaus: men dacht na.

    Over Voorbereiding als Deugd en de Gevaren van Overhaaste Indrukken

    Het tweede deel van de lezing was gewijd aan hetgeen de spreker noemde de deugd der voorbereiding — een begrip dat hij, met enige ironie, omschreef als de meest onderschatte vorm van genot. Wie een reis goed voorbereidt, zo betoogde hij, heeft in zekere zin reeds gereisd voordat hij zijn drempel overschrijdt. De lectuur van reisjournalen, historische werken en de brieven van voorgangers vormt een geestelijke aankomst die de lichamelijke aankomst verrijkt op een wijze die geen reisgids vermag te evenaren.

    Hier zij aangetekend dat de spreker uitdrukkelijk waarschuwde tegen een valkuil die hij de tyranny of the itinerary noemde — een Engelstalige term die hij weigerde te vertalen, stellende dat de Nederlandse taal op dit punt een lacune vertoonde. Het gevaar schuilt erin dat de reiziger, juist door zijn zorgvuldige planning, zichzelf de vrijheid ontneemt om af te wijken. De mooiste momenten van een reis, zo verzekerde hij zijn gehoor op grond van decennialange ervaring, zijn zelden de geplande.

    Een der leden wierp hierop tegen dat voorbereiding en spontaniteit elkander toch bezwaarlijk kunnen uitsluiten, waarop de spreker antwoordde dat dit precies zijn punt was: wie goed is voorbereid, kan zich de luxe van spontaniteit permitteren. Wie dat niet is, dwaalt slechts.

    Het Maatschappelijk Debat over Reizen en de Vraag naar Verantwoordelijkheid

    Geen beschouwing over reizen in onze tijd kan, naar het oordeel van de spreker, voorbijgaan aan de maatschappelijke dimensie van het verschijnsel. Hij deed dit met de nodige omzichtigheid, zich ervan bewust dat hij in een gezelschap sprak dat er prijs op stelt genuanceerd te worden bejegend. De massificatie van het toerisme, zo stelde hij, heeft gevolgen voor steden en landschappen die niet langer genegeerd kunnen worden — een constatering die, zo merkte hij op, inmiddels ook in bredere kring wordt erkend, getuige de berichtgeving die men regelmatig aantreft bij nieuwsbronnen zoals de NOS over steden die maatregelen treffen om de toeristenstroom te reguleren.

    De spreker hield zich, naar het oordeel van de secretaris, voorbeeldig ver van eenzijdige stellingnames. Hij presenteerde de argumenten van diegenen die menen dat reizen een recht is dat voor allen toegankelijk dient te zijn, naast de bezwaren van hen die wijzen op de onherstelbare schade die massamobiliteit kan toebrengen aan fragiele plaatsen en gemeenschappen. Quintessence is niet de plaats voor politieke resoluties, en de spreker toonde aan dat hij dit begreep.

    Wat hij wél poneerde — en dit met enige nadruk — is dat de beschaafde reiziger zich altijd de vraag stelt wat zijn aanwezigheid bijdraagt of ontneemt aan de plaats die hij bezoekt. Dit is geen politieke maar een ethische vraag, en als zodanig behoort zij tot het domein van de beschaving, welk domein deze sociëteit zich bij uitstek aantrekt.

    Tafelgesprekken en de Traditie van het Reisverslag binnen Quintessence

    Na afloop der lezing werd, overeenkomstig de goede gewoonte van Quintessence, aan tafel geschoven voor een diner dat de kok — wiens discretie wij evenals zijn vakmanschap hoog achten — had samengesteld met inachtneming van het thema der avond. Gerechten geïnspireerd op de keukens van landen die de spreker in zijn betoog had aangehaald, wisselden elkander af op een wijze die zowel culinair als didactisch bevredigend was.

    Het tafelgesprek, dat de secretaris uiteraard slechts in algemene termen mag weergeven, keerde herhaaldelijk terug naar een onderwerp dat de leden na aan het hart ligt: de traditie van het reisverslag. Verscheidene oudere leden herinnerden zich de avonden waarop leden van Quintessence zelf als spreker optraden en verslag deden van hun reizen naar minder bekende oorden — een traditie die, naar de mening van meer dan één aanwezige, herleving verdient.

    De secretaris heeft zich voorgenomen dit signaal ter harte te nemen en bij het bestuur te bepleiten dat de komende vergaderkalender ruimte biedt voor ten minste één avond waarop een lid zijn of haar reiservaring ten beste geeft. Quintessence heeft in haar geschiedenis verscheidene leden gekend wier reisverslagen de kwaliteit hadden van werkelijke literatuur, en de secretaris koestert de hoop dat dit reservoir van talent niet geheel is uitgeput.

    Voorts werd aan tafel gesproken over de wenselijkheid jongere leden aan te trekken die wellicht andere bestemmingen en andere reismotieven meebrengen dan de generatie die de sociëteit thans bevolkt. De ballotagecommissie heeft dit signaal, zo is de secretaris verzekerd, reeds ontvangen en zal er in haar overwegingen rekening mee houden, zonder dat de hoge eisen welke Quintessence aan haar leden stelt, ook maar in het minste worden verlaagd.

    Conclusie

    De secretaris besluit dit verslag met de constatering dat de avond heeft beantwoord aan de verwachtingen die men van een lezing bij Quintessence mag koesteren: zij heeft de geest geopend zonder hem te overladen, zij heeft vragen gesteld zonder te pretenderen ze te beantwoorden, en zij heeft de tafel gedekt — letterlijk en figuurlijk — voor gesprekken die ook in de dagen na de bijeenkomst zullen worden voortgezet.

    De kunst van het reizen, zo heeft de avond opnieuw geleerd, is in de kern de kunst van het waarnemen: van plaatsen, van mensen, van zichzelf in een vreemde omgeving. Dat is een kunst die oefening vergt en vorming veronderstelt — en het is juist daarom dat een sociëteit als de onze, die de vorming van haar leden als een van haar voornaamste doeleinden beschouwt, dit onderwerp met recht tot het hare mag rekenen.

    De volgende bijeenkomst zal te zijner tijd worden aangekondigd via de gebruikelijke kanalen. De secretaris vertrouwt erop u dan wederom te mogen begroeten.

    Opgesteld door de secretaris der sociëteit, ten behoeve van de leden en de archieven van Quintessence.

  • Over de Kunst van het Luisteren: Wat een Goede Lezing Onderscheidt

    Er bestaat, naar de bescheiden mening van ondergetekende, geen verfijnder genot dan de avond in een goed verlichte zaal door te brengen in het gezelschap van een spreker die zijn stof werkelijk beheerst. Niet het soort beheersing dat zich tooit met jargon en cijferreeksen, maar de beheersing die een mens in staat stelt om een zaal van veertig dames en heren zo stil te krijgen dat men het kraken van een stoel als een inbreuk ervaart. Dat is de maatstaf waaraan wij bij Sociëteit Quintessence onze lezingen meten, en het is een maatstaf die, zoals elk lid weet, niet zelden wordt gemist — zij het dat wij dit laatste altijd met de nodige discretie vaststellen, ver van het oor van de betrokkene.

    De Eerste Minuten: Hoe een Spreker de Zaal Verovert of Verliest

    Het is een waarheid die men niet genoeg kan herhalen: de eerste drie minuten van een lezing bepalen in vrijwel alle gevallen de stemming van de gehele avond. Een spreker die aarzelt bij het podium, zijn aantekeningen herschikt, een glas water inschenkt en daarna nog eens herschikt, heeft de zaal reeds halverwege verloren voordat hij zijn eerste zin heeft voltooid. Wij hebben dit verschijnsel in de loop der decennia zo dikwijls aanschouwd dat het bijna tot de vaste inventaris van onze herinneringen behoort.

    De spreker die daarentegen met een zekere nonchalance — maar dan wel de nonchalance van iemand die zijn stof door en door kent — het woord neemt, creëert onmiddellijk een sfeer van vertrouwen. Hij of zij behoeft geen excuses aan te bieden voor een eventueel te lange voorbereiding, noch voor het feit dat de materie complex is. Complexiteit is immers geen bezwaar; het is de onvermogen om complexiteit helder te verwoorden die de toehoorder vermoeit. Het is om deze reden dat wij bij de voorbereiding van onze lezingenavonden altijd een voorafgaand gesprek arrangeren met de genodigde spreker, teneinde diens stijl en temperament te peilen — een gebruik dat, naar ons is gebleken, door menige andere vereniging wordt verwaarloosd.

    De Rol van het Onderwerp: Vertrouwd Terrein versus Onbekende Horizonten

    Men zou veronderstellen dat een spreker het beste presteert wanneer hij of zij een onderwerp behandelt dat de toehoorders reeds enigszins vertrouwd is. De praktijk leert echter het tegendeel. Een zaal van ontwikkelde lieden, gewend aan het debat en de nuance, verveelt zich snel wanneer het haar gebodene slechts bevestigt wat zij reeds weet. Het is juist het onbekende, het iets verder gelegen, dat de geest in beweging brengt en de conversatie na afloop voeding geeft.

    Wij hebben bij Quintessence lezingen mogen verwelkomen over onderwerpen die aanvankelijk wenkbrauwen deden fronsen — de logistiek van een middeleeuws pelgrimspad, de diplomatieke etiquette aan het hof van een vergeten vorstendom, de architectuur van stilte in kloosters — en het waren dikwijls juist deze avonden die achteraf de meest levendige nasprekingen opleverden bij het souper. De les is eenvoudig: het onderwerp dient de toehoorder iets te geven wat hij niet had verwacht te ontvangen. Dit vereist van de programmerende commissie een zeker lef, en van de leden een bereidheid om zich te laten verrassen.

    Dat gezegd hebbende, wil ondergetekende benadrukken dat verrassingen van de onaangename soort — sprekers die hun tijdslimiet met een kwart overschrijden, of die de zaal trakteren op een politiek betoog in de vermomming van een culturele lezing — niet tot de gewenste categorie behoren.

    De Kunst van het Vragen Stellen: Het Debat na de Lezing

    Een lezing is, hoe uitstekend ook, slechts de helft van de avond. De andere helft — en men vergeve ondergetekende deze bijna democratische opvatting — behoort toe aan de toehoorders. De vragenronde na een lezing is bij Quintessence een serieuze aangelegenheid, en wij koesteren de traditie dat een goed gestelde vraag meer kan toevoegen aan de avond dan een kwartier extra spreektijd van de spreker zelf.

    Er zijn echter, dit moet eerlijk worden gezegd, vragen en vragen. De vraag die in werkelijkheid een betoog is, voorzien van een vraagtekenachtig slotgebaar, is een bekende plaag. Evenzo de vraag die de spreker slechts uitnodigt om te bevestigen wat de vrager reeds gelooft. Wij moedigen onze leden aan om vragen te stellen die de spreker in de richting van het onbekende duwen, die een veronderstelling ter discussie stellen of een detail uitlichten dat in de lezing onbehandeld bleef. Een dergelijke vraag is een geschenk, zowel aan de spreker als aan de overige aanwezigen.

    De voorzitter van de avond — een functie die bij ons bij toerbeurt door bestuursleden wordt vervuld — heeft de taak om dit proces te begeleiden met een lichte hand maar een vaste pols. Hij of zij dient de vraagsteller die zijn beurt misbruikt vriendelijk maar ondubbelzinnig te onderbreken, en dient er tevens voor te zorgen dat de minder spraakzame leden ook aan bod komen. Dit laatste vereist een zekere kennis van de leden en hun gewoonten, een kennis die slechts door jarenlange aanwezigheid wordt verworven.

    Het Souper als Verlengstuk van de Lezing

    Het zou een ernstige vergissing zijn om het souper dat bij Quintessence op elke lezing volgt, te beschouwen als louter een culinaire onderneming. Het souper is, in de opvatting van de oprichters van onze sociëteit — en ondergetekende deelt deze opvatting van harte — de eigenlijke arena van het debat. Aan tafel, bij een goed glas en in de gezellige beslotenheid van een klein gezelschap, zeggen mensen wat zij tijdens de officiële vragenronde achterwege lieten.

    Het is om deze reden dat wij de tafelindeling altijd met zorg vaststellen. Een lid dat de spreker al jaren kent, wordt niet naast de spreker geplaatst; dat zou de conversatie te gemakkelijk maken. Wij plaatsen bij voorkeur iemand naast de spreker die een geheel andere achtergrond heeft, of die tijdens de lezing een sceptische blik vertoonde — want sceptici zijn, mits welgemanierd, de beste tafelburen. Zij stellen de vragen die anderen te beleefd vinden om te stellen, en zij brengen daarmee de avond tot leven.

    De keuze van het menu is eveneens geen bijzaak. Gerechten die te veel aandacht vragen — al te gecompliceerde constructies die men met chirurgische precisie dient aan te vallen — leiden de geest af. Wij geven de voorkeur aan een sobere elegantie: gerechten die smaken zonder te imponeren, die de conversatie dienen in plaats van haar te overstemmen.

    Wat Jongere Leden Aan de Lezingscultuur Kunnen Bijdragen

    Ondergetekende is zich er terdege van bewust dat dit onderwerp — het betrekken van jongere leden bij het leven van de sociëteit — gevoelig ligt bij een deel van het zittende ledenbestand. Er zijn leden die van mening zijn dat de huidige formule haar waarde heeft bewezen en geen aanpassing behoeft. Ondergetekende respecteert dit standpunt, al deelt hij het niet geheel.

    Jongere leden brengen, naast hun vanzelfsprekende bijdrage aan de continuïteit van de vereniging, iets mee wat moeilijker te omschrijven maar niet minder waardevol is: een andere verhouding tot het onbekende. Zij zijn minder geneigd om een spreker te beoordelen op basis van diens curriculum vitae, en meer geneigd om hem of haar te beoordelen op wat er feitelijk wordt gezegd. Dit is een gezonde reflex, die de lezingscultuur scherp houdt.

    Bovendien — en hier spreekt de oud-notaris in ondergetekende — is een vereniging die haar eigen opvolging niet regelt, een vereniging die haar eigen einde voorbereidt. De ballotage bij Quintessence is streng, en dat dient zo te blijven; wij zijn geen massabeweging en wij ambiëren dat ook niet te zijn. Maar streng hoeft niet te betekenen: gesloten voor de tijd. Een jongere kandidaat die de waarden van de sociëteit onderschrijft, die luisteren beschouwt als een vaardigheid en niet als een wachttijd, en die bereid is om het souper te beschouwen als een serieuze aangelegenheid — een dergelijke kandidaat verdient een welwillende beoordeling.

    De kunst van het luisteren, waarmee wij deze beschouwing begonnen, is immers geen exclusief bezit van de oudere generatie. Zij is, gelukkig, overdraagbaar.

  • Een Avond Gewijd aan de Kunst der Pelgrimstocht: Verslag van de Lezing door de Heer Van Oosterbroeck

    Een Avond Gewijd aan de Kunst der Pelgrimstocht: Verslag van de Lezing door de Heer Van Oosterbroeck

    De maandelijkse lezing van Sociëteit Quintessence nam ditmaal de gedaante aan van een bijzonder doorwrochte verhandeling over de pelgrimstocht als cultureel en spiritueel verschijnsel. De spreker, de heer Adriaan van Oosterbroeck, oud-hoogleraar aan een gerenommeerde Vlaamse instelling, wist het gezelschap gedurende bijna twee uren te boeien met een betoog dat in gelijkheid van ernst en eruditie zelden zijn weerga vindt binnen onze muren.

    De spreker en zijn voorbereiding

    Het is de gewoonte van de sociëteit, zoals de vaste leden welbekend zal zijn, dat de secretaris voorafgaand aan elke lezing enige correspondentie voert met de uitgenodigde spreker teneinde de aard en de reikwijdte van het onderwerp nauwkeurig af te stemmen op het peil en de interesse van ons gezelschap. De heer Van Oosterbroeck bewees zich in dit opzicht een bijzonder plezierige gesprekspartner: zijn brieven — hij verkiest de handgeschreven correspondentie boven het elektronische bericht, een voorkeur die hem onmiddellijk sympathiek maakte — getuigden van een verfijnde geest en een ongewone bereidheid tot overleg. Wij mogen ons gelukkig prijzen dat hij de uitnodiging aanvaardde.

    De pelgrimstocht als historisch fenomeen

    De lezing opende met een historisch panorama dat zijn aanvang nam in de vroegchristelijke eeuwen en zich uitstrekte tot ver in de late middeleeuwen. De heer Van Oosterbroeck schetste, met de kalmte van iemand die zijn stof door en door beheerst, hoe de gewoonte van het pelgrimeren zich over geheel Europa verbreidde als een netwerk van wegen, verhalen en devotie. Hij wees erop dat de route naar Santiago de Compostela, waarover men uitvoerige achtergrondinformatie kan raadplegen in een betrouwbaar overzichtsartikel op Wikipedia, reeds in de tiende eeuw duizenden wandelaars trok uit de verste uithoeken van het continent. Wat hem in het bijzonder boeide, zo gaf hij te kennen, was niet zozeer de religieuze motivatie als wel de sociale functie: de pelgrimstocht als democratiserend fenomeen, waarbij edelman en dagloner zij aan zij de voet verzetten.

    De sociëteit als spiegel van de samenleving

    Op dit punt veroorloofde de voorzitter, de heer De Meersman, zich een vriendelijke interruptie, waarbij hij de parallel trok met de sociëteit zelf als ontmoetingsplaats voor mensen van uiteenlopende achtergrond. De heer Van Oosterbroeck nam deze observatie welwillend in ontvangst, al nuanceerde hij haar met de opmerking dat de pelgrimstocht in de praktijk toch bepaald niet vrij was van standsonderscheid: de rijkere pelgrim reisde te paard en overnachtte in hospitia, de arme te voet en onder de blote hemel. Wij tekenen aan dat dit debatje, hoewel het de lezing even onderbrak, de avond een welkome levendigheid verleende die door de aanwezigen zichtbaar werd gewaardeerd.

    Tafelgesprek en het diner

    Na afloop van de eigenlijke lezing schaarden de leden zich, overeenkomstig de vaste gebruiken van de sociëteit, om de grote tafel in de eetzaal. Het menu was samengesteld door de heer Verstraeten, die het culinaire comité sedert vele jaren met grote toewijding voorzit, en omvatte onder meer een wildragout waarover de meningen aangenaam verdeeld waren. De tafelgesprekken, die wij als secretaris uiteraard niet in hun geheel kunnen weergeven — nog afgezien van de vraag of zulks wenselijk zou zijn — cirkelden rondom de thema’s die de lezing had aangesneden: het reizen als levenshouding, de waarde van ontbering als voorbereiding op genot, en de vraag of de moderne wandelaar op de Camino nog in enig zinvol opzicht als pelgrim kan worden beschouwd. Het waren levendige, soms gepassioneerde, maar steeds beschaafde uitwisselingen.

    De kwestie van de jongere leden

    Aan het einde van de avond, in de meer informele sfeer die gewoonlijk volgt op het dessert en de eerste glazen cognac, werd opnieuw de vraag opgeworpen die de sociëteit al enige tijd bezighoudt: hoe jonger bloed aan te trekken zonder het karakter van het gezelschap te schaden. Een der leden — wij noemen hem niet bij name, zoals de discretie gebiedt — stelde voor de ballotage-procedure te vereenvoudigen, hetgeen onmiddellijk op bezwaren stuitte van verscheidene oudere leden. De voorzitter sloot de discussie af met de diplomatieke opmerking dat het ballotagecomité de kwestie te zijner tijd met de nodige zorgvuldigheid zou bestuderen. Wij menen dat dit een verstandig besluit was.

    Beschouwing over de waarde van dergelijke avonden

    Het is, zo meent de schrijver dezes na vele jaren als secretaris, de bijzondere verdienste van avonden als deze dat zij de leden herinneren aan de wezenlijke functie van de sociëteit: niet het onderhoud van een aangenaam gezellig verband, hoewel dat op zichzelf reeds een achtenswaardig doel is, maar het cultiveren van de geest door middel van georganiseerde ontmoeting met kennis en inzicht. De pelgrimstocht, zo bleek uit de woorden van de heer Van Oosterbroeck, is in wezen een geordende verstoring van de dagelijkse routine — en is dat, indien men er goed over nadenkt, niet precies wat een geslaagde lezing ook beoogt te zijn?

    Tot slot

    Wij danken de heer Van Oosterbroeck hartelijk voor zijn bijdrage en hopen hem te zijner tijd opnieuw te mogen verwelkomen. De leden die de avond niet konden bijwonen, ontvangen het gebruikelijke schriftelijke verslag via de secretarie. De eerstvolgende bijeenkomst van de sociëteit zal, naar verwachting, worden gewijd aan een onderwerp van geheel andere aard — waarover in een volgend schrijven meer.

  • Over de Kunst van het Reizen als Geestelijke Oefening

    Wie meent dat reizen uitsluitend een aangelegenheid is van bagage, vervoermiddelen en de keuze van een passend hotel, heeft de diepere strekking van dit menselijk verlangen nog niet ten volle begrepen. Het was dan ook met bijzondere voldoening dat de Sociëteit Quintessence onlangs haar leden mocht ontvangen voor een avond die tot de meest weloverwogen en inhoudelijk rijke behoorde die wij in geruime tijd hebben meegemaakt. De heer Van Aerschot, oud-diplomaat en veelvuldig reiziger, besteeg het spreekgestoelte met de kalmte van iemand die weet dat zijn onderwerp geen haast behoeft, en hij had gelijk.

    De Lezing Zelf: Reizen als Innerlijke Discipline

    De heer Van Aerschot opende zijn betoog met de stelling dat de beschaafde reiziger zich onderscheidt van de toerist niet door de bestemming die hij kiest, maar door de gezindheid waarmee hij vertrekt. Een toerist vertrekt om iets te ontvangen: zon, ontspanning, bezienswaardigheden die hij reeds kent van afbeeldingen. De reiziger in de ware zin des woords vertrekt om iets te geven, namelijk zijn onverdeelde aandacht, zijn bereidheid tot verwondering en zijn vermogen tot stilte.

    Dit onderscheid bleek bij nader inzien vruchtbaarder dan het op het eerste gehoor lijkt. De heer Van Aerschot verduidelijkte zijn stelling aan de hand van wat hij noemde de drie deugden van de ervarene reiziger:

    • Geduld, niet als passieve afwachting, maar als actieve openheid voor het onverwachte
    • Bescheidenheid, in de zin dat men de eigen gewoonten en oordelen tijdelijk opschort ten gunste van het nieuwe
    • Geheugen, waarmee hij bedoelde het bewuste bewaren van indrukken, niet door middel van fotografisch vastleggen, maar door aandachtige observatie en, bij voorkeur, het bijhouden van een reisdagboek

    Dit laatste punt ontlokte een levendige terzijde van ons lid mevrouw Delbecq, die opmerkte dat het reisdagboek als genre ten onrechte in verval is geraakt. De heer Van Aerschot bevestigde haar zienswijze en voegde eraan toe dat het dagboek de reiziger dwingt tot precisie van waarneming: men kan immers niet opschrijven wat men niet werkelijk heeft gezien.

    Het tweede deel van de lezing richtte zich op de vraag welke bestemmingen zich bij uitstek lenen voor wat de spreker aanduidde als de contemplatieve reis. Hij noemde daarbij geen toeristische trekpleisters in de gebruikelijke zin, maar wees op de waarde van plaatsen die een zekere weerstand bieden: steden met een moeilijk te doorgronden karakter, landschappen die niet onmiddellijk prijs geven wat zij te zeggen hebben, culturen waarvan de omgangsvormen een geduldige studie vereisen. Juist die weerstand is de eigenlijke leerschool van de reiziger.

    De Discussie na de Lezing en de Tafelgesprekken

    Na het applaus opende de voorzitter de discussie. Deze verliep op een toon van wederzijds respect, al werden er standpunten ingenomen die men gerust als divergerend mag aanduiden.

    Ons lid de heer Mortelmans, gepensioneerd ingenieur en man van praktische inslag, vroeg zich hardop af of de door de spreker beschreven houding niet een zekere welgesteldheid veronderstelt: tijd, middelen en de vrijheid van verplichtingen. De heer Van Aerschot erkende dit bezwaar zonder het te bagatelliseren, maar voerde aan dat de contemplatieve gezindheid ook kan worden beoefend op bescheidener schaal — een wandeling door een onbekende wijk van de eigen stad, een treinreis naar een nabijgelegen dorp dat men nooit eerder heeft bezocht. Het gaat om de gezindheid, niet om de afstand.

    Na de formele discussie werd de vergadering geschorst voor het diner, dat ditmaal bestond uit een koude terrine, gevolgd door een wildgerecht dat de keuken met zorg had bereid, en afgesloten met een kaasplank van onberispelijke samenstelling.

    Beschouwingen van de Secretaris over het Reizen als Thema voor de Sociëteit

    Het reizen, in de brede en geestelijke zin zoals de heer Van Aerschot het heeft beschreven, vertoont opmerkelijke overeenkomsten met het lidmaatschap van een sociëteit als de onze.

    Ook de sociëteit vereist immers geduld: men wordt niet van de ene dag op de andere lid, de ballotage is een zorgvuldig proces dat zijn tijd neemt. Ook hier is bescheidenheid vereist: wie meent dat zijn eigen meningen en smaken de enige maatstaf vormen, zal in onze kring weinig vreugde vinden. En ook hier is het geheugen van wezenlijk belang — het geheugen voor wat er in vroegere jaren is gezegd, voor de tradities die ons binden, voor de namen en karakters van degenen die ons zijn voorgegaan.

    De jongere leden die wij in de afgelopen jaren hebben mogen verwelkomen zullen hopelijk in avonden als deze ontdekken dat de sociëteit, net als de contemplatieve reis, zijn rijkdom pas volledig prijsgeeft aan wie bereid is er werkelijk bij stil te staan. De deur staat open. De amontillado staat klaar.

  • Over de Kunst van het Reizen als Beschaafd Gezelschap

    Het is een waarheid die de leden van onze sociëteit met enige regelmaat ter tafel brengen: dat reizen, in zijn edelste gedaante, een geestelijke aangelegenheid is en geen louter lichamelijke verplaatsing. Wij die ons hebben verenigd onder het vaandel van Quintessence weten maar al te goed dat de kwaliteit van een reis niet wordt bepaald door de afstand die men aflegt, maar door de wijze waarop men zich voorbereidt, de aandacht waarmee men aankomt, en de zorgvuldigheid waarmee men het beleefde naderhand overdenkt. Het is in die geest dat onderstaande beschouwing is opgesteld.

    De Voorbereiding als Wezenlijk Onderdeel van de Reis Zelf

    Men zou geneigd zijn te menen dat een reis aanvangt op het ogenblik dat men de drempel van het eigen huis overschrijdt, doch de leden van onze kring zijn het er doorgaans over eens dat zulks een te smalle opvatting is. De voorbereiding, die weken of zelfs maanden vóór het vertrek begint, vormt een wezenlijk en onafscheidelijk deel van de reis zelf. Het raadplegen van historische werken over de te bezoeken streek, het lezen van memoires van reizigers die u voorgingen, het bestuderen van de plaatselijke gebruiken en tafelmanieren — dit alles is geen bijkomstigheid, maar de eigenlijke grondlegging van een beschaafde kennismaking met een vreemde omgeving.

    Een der sprekers die wij enige tijd geleden het genoegen hadden te ontvangen, drukte dit aldus uit: dat de onvoorbereide reiziger een gast is die aanklopt zonder te hebben geklopt, terwijl de goed voorbereide bezoeker reeds bij aankomst een zekere vertrouwdheid uitstraalt die deuren opent welke anders gesloten blijven. Wij hechten aan deze zienswijze, zonder haar geheel voor onze rekening te nemen.

    De Keuze van het Reisgezelschap

    Weinig zaken beïnvloeden de kwaliteit van een reis zo ingrijpend als de keuze van hen met wie men reist. Een reisgenoot die bij elke ongemakkelijkheid klaagt, die het onbekende met wantrouwen bejegent, of die de maaltijden slechts beschouwt als een noodzakelijke onderbreking van het sightseeing, is een last die zwaarder drukt naarmate de reis langer duurt. Omgekeerd is een gezelschap van gelijkgestemden, dat bereid is te vertragen waar vertraging geboden is, dat een onverwacht incident als een rijkdom beschouwt en dat ‘s avonds aan tafel in staat is het dagelijks beleefde met enige diepgang te bespreken, een bron van vreugde die het reisgenot verveelvoudigt.

    Binnen onze sociëteit is het niet ongebruikelijk dat leden gezamenlijk reizen ondernemen, zij het dat dergelijke ondernemingen buiten de officiële vergaderingen vallen en derhalve niet in dit verslag worden behandeld. Toch zij opgemerkt dat de vriendschappen die binnen Quintessence zijn gesmeed, menig lid een uitstekend reisgezelschap hebben opgeleverd.

    De Kunst van het Aankomen

    Er bestaat, zo meende een vroegere spreker wiens lezing ons nog helder voor de geest staat, een onderscheid tussen het aankomen en het landen. Landen doet men als een vracht: men wordt afgezet, men haalt zijn bagage op, men zoekt zijn verblijf. Aankomen, daarentegen, is een bewuste daad waarbij men zich rekenschap geeft van de lucht, het licht, het geluid en de geur van een nieuwe omgeving, voordat men zich overgeeft aan de drukte van het praktische. De reiziger die bij aankomst vijf minuten neemt om stil te staan — letterlijk stil te staan, op een plein of voor een gevel — en te observeren, zal de volgende dagen met andere ogen zien dan zijn haastige medebezoeker.

    Dit principe van aandachtig aankomen heeft, zo wil het ons voorkomen, een zekere verwantschap met de wijze waarop onze eigen vergaderingen worden geopend: met een moment van ordening, een inleidend woord, een bewuste overgang van het alledaagse naar het bijzondere.

    Tafelgebruiken in den Vreemde

    Een onderwerp dat onze leden bijzonder na aan het hart ligt, is de kwestie van de tafelgebruiken buiten de landsgrenzen. Wie reist, eet, en wie eet, bevindt zich onvermijdelijk in een situatie die zowel sociaal als cultureel geladen is. Het is onze vaste overtuiging dat een beschaafd reiziger zich verdiept in de plaatselijke tafelgewoonten, niet om ze blindelings na te apen — wat eerder belachelijk dan respectvol aandoet — maar om ze te begrijpen en met de vereiste hoffelijkheid te benaderen.

    In sommige streken is het een teken van waardering om luid te eten; elders is stilte aan tafel een deugd. In bepaalde culturen is het weigeren van een aangeboden gerecht een belediging; in andere is het aanvaarden van een tweede portie een last voor de gastheer. De reiziger die dit niet weet, of erger, die het weet maar er zich niets van aantrekt, doet zichzelf en zijn herkomst geen eer aan. Onze sociëteit heeft aan dit onderwerp meerdere lezingen gewijd, en de discussies die daarop volgden, behoorden tot de levendigste die wij hebben meegemaakt.

    Het Bijhouden van een Reisdagboek

    Een gebruik dat wij ten sterkste aanbevelen aan allen die de moeite nemen te reizen, is het bijhouden van een dagboek. Niet het vluchtige aantekenen van bezienswaardigheden en restaurantbeoordelingen, maar een werkelijk schriftelijk verslag van de indrukken, de gesprekken, de momenten van onverwachte schoonheid of verwarring die elke reis kenmerken. Het dagboek dwingt tot reflectie, en reflectie is de eigenlijke vrucht van het reizen.

    Verscheidene leden van onze sociëteit hebben in het verleden fragmenten uit hun reisdagboeken voorgelezen tijdens onze avonden, en wij kunnen getuigen dat zulke voordrachten, mits met de nodige selectiviteit samengesteld, tot de meest onderhoudende en verrijkende bijdragen behoren die wij hebben ontvangen. Het gesproken reisverslag, wanneer het goed is verzorgd, herschept de reis voor wie er niet bij was, en verdiept haar voor wie er wel bij was.

    De Terugkeer en Wat Zij Ons Leert

    De terugkeer van een reis is, zo beschouwen wij haar, geen afsluiting maar een aanvang. Wie thuiskomt en zijn koffers uitpakt zonder verder na te denken over wat hij heeft meegemaakt, heeft slechts de buitenkant van de reis beleefd. De werkelijke verwerking begint in de weken na de terugkeer, wanneer de indrukken zijn neergeslagen en men met enige afstand kan bezien wat men eigenlijk heeft geleerd.

    Het is precies deze nawerking die het reizen verwant maakt aan de geestelijke inspanning die wij in onze sociëteit cultiveren: de bereidheid om te luisteren, te overdenken, en pas daarna te oordelen. Wie zo reist, reist goed; en wie zo vergadert, vergadert, naar wij durven hopen, in de geest van Quintessence.

  • Een Avond over de Wereld die Beweegt: Verslag van de Lezing over Reizen in Veranderende Tijden

    Het is de secretaris een genoegen u, geachte leden en belangstellenden, deelgenoot te maken van hetgeen zich onlangs binnen de muren van onze sociëteit heeft voltrokken. De avond in kwestie — gewijd aan de staat van het hedendaagse reizen, de betekenis van vrije tijd en de vraag of de beschaafde mens nog werkelijk de wereld kan ontdekken — behoort tot die zeldzame bijeenkomsten waarbij men na afloop met het gevoel naar huis keert dat er iets wezenlijks is gezegd. Het was, kortom, een avond die de kroniek verdient.

    De spreker en zijn komst

    Onze gast voor de avond was de heer mr. drs. Adriaan Verlinden, voormalig ambassadeur en thans verbonden aan een instituut voor internationale betrekkingen, wiens naam in de kringen van de buitenlandse dienst een klank draagt die weinig nadere toelichting behoeft. Hij werd, naar de gewoonte van de sociëteit, ontvangen in de vestibule door de praeses en ondergetekende, alwaar hem een glas werd aangeboden en enige minuten van informeel onderhoud werden gegund alvorens de vergaderzaal werd betreden.

    De heer Verlinden, een man van gevorderde maar niet onbepaalde leeftijd, maakte een indruk die men slechts als bezonken kan omschrijven: hij sprak met de bedachtzaamheid van iemand die weet dat woorden gewicht hebben en die dit gewicht niet lichtvaardig in de waagschaal legt. Zijn jasje, zo merkte een der leden mij later op, droeg de stille elegantie van het goede snijwerk zonder enige opzichtigheid — een detail dat de secretaris hier slechts vermeldt omdat het de toon van de gehele avond treffend samenvat.

    De inhoud van de lezing

    De heer Verlinden opende zijn betoog met een stelling die bij menig aanwezig lid wenkbrauwen deed fronsen, doch die hij vervolgens met zoveel bedachtzaamheid uitwerkte dat de weerstand geleidelijk plaatsmaakte voor aandacht: hij stelde namelijk dat het reizen in de moderne tijd weliswaar toegankelijker is geworden dan ooit tevoren, maar dat deze toegankelijkheid gepaard gaat met een verarming van de reizende geest. De massa, zo betoogde hij, heeft de wereld bereikbaar gemaakt voor iedereen, maar heeft daarmee tevens de stille hoeken van die wereld vernietigd die de beschaafde reiziger juist zocht.

    Hij vervolgde met een beschouwing over wat hij noemde de “drempelverhoging van de verwondering” — een begrip dat hij toeschreef aan een Franse geograaf wiens naam de secretaris hier niet met zekerheid kan weergeven, en dat hij omschreef als het fenomeen waarbij de reiziger, overspoeld door prikkels en beelden uit alle windstreken, steeds minder in staat is werkelijk verrast te worden. De lezing bewoog zich vervolgens langs een reeks anekdotes uit zijn eigen diplomatieke loopbaan: een nacht in een Georgisch bergdorp, een audiëntie in een sultanaat dat men in de kranten zelden tegenkomt, een bootverbinding in de Stille Oceaan die slechts eenmaal per maand wordt onderhouden.

    Over de maatschappelijke context

    Het is de secretaris geenszins toegestaan — en hij zou het ook niet wensen — de politieke stellingnames van een spreker als de zijne van de sociëteit te maken. Wél kan worden medegedeeld dat de heer Verlinden in de loop van zijn betoog verwees naar de bredere maatschappelijke discussie die thans in Nederland gevoerd wordt over toerisme, bereikbaarheid en de druk op populaire bestemmingen. Hij merkte op dat wie de berichtgeving van de NOS volgt, zal hebben opgemerkt dat deze discussie bepaald niet academisch van aard is, maar inmiddels doorgedrongen is tot het niveau van gemeentelijke besluitvorming en nationale beleidsdebat.

    De heer Verlinden onthield zich van een uitgesproken oordeel over de politieke kant der zaak, maar liet niet na te onderstrepen dat het vraagstuk van de “draagkracht van bestemmingen” — zijn woorden — hem na aan het hart ligt, en dat hij meent dat beschaafde reizigers een bijzondere verantwoordelijkheid dragen tegenover de plaatsen die zij bezoeken. Of de vergadering het hiermee eens was, is de secretaris niet gemachtigd mede te delen.

    De discussie na de lezing

    Na een pauze van twintig minuten — gedurende welke de bediening met de gebruikelijke stilte en bekwaamheid haar werk deed, en de praeses zich verdienstelijk maakte in het geleiden van de gesprekken — werd de discussie geopend. De heer Verlinden bleek niet alleen een goed spreker maar ook een behendig gesprekspartner: hij pareerde vragen met de souplesse van iemand die tientallen jaren in diplomatieke onderhandelingen heeft doorgebracht, en wist de meest uitgesproken tegenwerpingen te beantwoorden zonder de vragensteller het gevoel te geven dat hij was afgepoeierd.

    Een der oudste leden, wiens naam de secretaris met gepaste discretie achterwege laat, merkte op dat de sociëteit zelf een voorbeeld is van de beschaafde omgang die de heer Verlinden leek te bepleiten: een besloten gezelschap, bijeenkomend met een doel, in een ruimte die daartoe is ingericht, met aandacht voor vorm én inhoud. De spreker beaamde dit met een glimlach die de secretaris als welwillend doch enigszins ironisch heeft genoteerd.

    Ballotage en de vraag naar jongere leden

    De avond gaf, zoals wel vaker het geval is bij lezingen van dit kaliber, aanleiding tot een informele gedachtewisseling over de toekomst van de sociëteit zelf. De heer Verlinden, die als gast uiteraard niet deelneemt aan dergelijke interne bespiegelingen, had zich inmiddels in de conversatiezaal teruggetrokken, zodat de leden vrijelijk konden spreken — al herinnert de secretaris er nadrukkelijk aan dat hij uit besloten vergaderingen niet citeert en zulks ook in het onderhavige verslag niet zal doen.

    Wél kan worden opgemerkt dat de lezing over reizen en de wereld buiten onze grenzen eens te meer de vraag opriep hoe de sociëteit jongere leden — en met jongere bedoelt de secretaris: personen beneden de vijfenveertig — kan aantrekken zonder de aard en de toon van de bijeenkomsten geweld aan te doen. De ballotagecommissie heeft de afgelopen periode verscheidene kandidaten ontvangen, van wie een deel blijk gaf van de gewenste instelling en een ander deel, zo moet eerlijk worden gezegd, de indruk wekte vooral geïnteresseerd te zijn in het netwerk en minder in het gesprek. De commissie, die haar werk met de bekende nauwgezetheid verricht, zal te zijner tijd verslag uitbrengen.

    Tot besluit van de avond

    De avond eindigde, naar de gewoonte van de sociëteit, met een diner aan de lange tafel, waarbij de plaatsindeling — zoals altijd door de secretaris persoonlijk vastgesteld op grond van overwegingen die niet uitsluitend van praktische aard zijn — aanleiding gaf tot een tafelgesprek dat de secretaris slechts als geanimeerd kan omschrijven. De heer Verlinden bleek aan tafel een even onderhoudend metgezel als achter het spreekgestoelte, en deelde, zonder daartoe uitgenodigd te zijn, een aantal herinneringen aan diplomatieke diners in verre hoofdsteden die het gezelschap met zichtbaar genoegen aanhoorde.

    Het is de secretaris een aangename plicht te vermelden dat de keuken ditmaal bijzonder goed bij de toon van de avond heeft aangesloten: een soberheid in de presentatie die de kwaliteit van de ingrediënten de ruimte gaf die haar toekwam, en een wijnkeuze die, zoals een der leden opmerkte, “de juiste vragen stelde zonder de antwoorden te forceren” — een formulering die de secretaris zo treffend acht dat hij haar hier gaarne overneemt, al kan hij de auteur ervan niet met zekerheid identificeren.

    Conclusie

    De lezing van de heer Verlinden heeft de sociëteit een avond geschonken die in de herinnering zal beklijven: niet omdat er eenvoudige antwoorden werden gegeven — die zijn er zelden bij onderwerpen van enige diepgang — maar omdat de vragen met zorg werden gesteld en met ernst werden ontvangen. Het reizen, de wereld, de verantwoordelijkheid van de beschaafde mens tegenover zijn omgeving: het zijn thema’s die de sociëteit niet vreemd zijn en die ook in de komende seizoenen ongetwijfeld terugkeren aan de tafel en het spreekgestoelte.

    De secretaris sluit dit verslag af met de mededeling dat de eerstvolgende bijeenkomst in de gebruikelijke kalender zal worden aangekondigd, en dat hij, zoals altijd, met genoegen de tafelindeling ter hand zal nemen.