Het is de secretaris een genoegen u, geachte leden en belangstellenden, deelgenoot te maken van hetgeen zich onlangs binnen de muren van onze sociëteit heeft voltrokken. De avond in kwestie — gewijd aan de staat van het hedendaagse reizen, de betekenis van vrije tijd en de vraag of de beschaafde mens nog werkelijk de wereld kan ontdekken — behoort tot die zeldzame bijeenkomsten waarbij men na afloop met het gevoel naar huis keert dat er iets wezenlijks is gezegd. Het was, kortom, een avond die de kroniek verdient.
De spreker en zijn komst
Onze gast voor de avond was de heer mr. drs. Adriaan Verlinden, voormalig ambassadeur en thans verbonden aan een instituut voor internationale betrekkingen, wiens naam in de kringen van de buitenlandse dienst een klank draagt die weinig nadere toelichting behoeft. Hij werd, naar de gewoonte van de sociëteit, ontvangen in de vestibule door de praeses en ondergetekende, alwaar hem een glas werd aangeboden en enige minuten van informeel onderhoud werden gegund alvorens de vergaderzaal werd betreden.
De heer Verlinden, een man van gevorderde maar niet onbepaalde leeftijd, maakte een indruk die men slechts als bezonken kan omschrijven: hij sprak met de bedachtzaamheid van iemand die weet dat woorden gewicht hebben en die dit gewicht niet lichtvaardig in de waagschaal legt. Zijn jasje, zo merkte een der leden mij later op, droeg de stille elegantie van het goede snijwerk zonder enige opzichtigheid — een detail dat de secretaris hier slechts vermeldt omdat het de toon van de gehele avond treffend samenvat.
De inhoud van de lezing
De heer Verlinden opende zijn betoog met een stelling die bij menig aanwezig lid wenkbrauwen deed fronsen, doch die hij vervolgens met zoveel bedachtzaamheid uitwerkte dat de weerstand geleidelijk plaatsmaakte voor aandacht: hij stelde namelijk dat het reizen in de moderne tijd weliswaar toegankelijker is geworden dan ooit tevoren, maar dat deze toegankelijkheid gepaard gaat met een verarming van de reizende geest. De massa, zo betoogde hij, heeft de wereld bereikbaar gemaakt voor iedereen, maar heeft daarmee tevens de stille hoeken van die wereld vernietigd die de beschaafde reiziger juist zocht.
Hij vervolgde met een beschouwing over wat hij noemde de “drempelverhoging van de verwondering” — een begrip dat hij toeschreef aan een Franse geograaf wiens naam de secretaris hier niet met zekerheid kan weergeven, en dat hij omschreef als het fenomeen waarbij de reiziger, overspoeld door prikkels en beelden uit alle windstreken, steeds minder in staat is werkelijk verrast te worden. De lezing bewoog zich vervolgens langs een reeks anekdotes uit zijn eigen diplomatieke loopbaan: een nacht in een Georgisch bergdorp, een audiëntie in een sultanaat dat men in de kranten zelden tegenkomt, een bootverbinding in de Stille Oceaan die slechts eenmaal per maand wordt onderhouden.
Over de maatschappelijke context
Het is de secretaris geenszins toegestaan — en hij zou het ook niet wensen — de politieke stellingnames van een spreker als de zijne van de sociëteit te maken. Wél kan worden medegedeeld dat de heer Verlinden in de loop van zijn betoog verwees naar de bredere maatschappelijke discussie die thans in Nederland gevoerd wordt over toerisme, bereikbaarheid en de druk op populaire bestemmingen. Hij merkte op dat wie de berichtgeving van de NOS volgt, zal hebben opgemerkt dat deze discussie bepaald niet academisch van aard is, maar inmiddels doorgedrongen is tot het niveau van gemeentelijke besluitvorming en nationale beleidsdebat.
De heer Verlinden onthield zich van een uitgesproken oordeel over de politieke kant der zaak, maar liet niet na te onderstrepen dat het vraagstuk van de “draagkracht van bestemmingen” — zijn woorden — hem na aan het hart ligt, en dat hij meent dat beschaafde reizigers een bijzondere verantwoordelijkheid dragen tegenover de plaatsen die zij bezoeken. Of de vergadering het hiermee eens was, is de secretaris niet gemachtigd mede te delen.
De discussie na de lezing
Na een pauze van twintig minuten — gedurende welke de bediening met de gebruikelijke stilte en bekwaamheid haar werk deed, en de praeses zich verdienstelijk maakte in het geleiden van de gesprekken — werd de discussie geopend. De heer Verlinden bleek niet alleen een goed spreker maar ook een behendig gesprekspartner: hij pareerde vragen met de souplesse van iemand die tientallen jaren in diplomatieke onderhandelingen heeft doorgebracht, en wist de meest uitgesproken tegenwerpingen te beantwoorden zonder de vragensteller het gevoel te geven dat hij was afgepoeierd.
Een der oudste leden, wiens naam de secretaris met gepaste discretie achterwege laat, merkte op dat de sociëteit zelf een voorbeeld is van de beschaafde omgang die de heer Verlinden leek te bepleiten: een besloten gezelschap, bijeenkomend met een doel, in een ruimte die daartoe is ingericht, met aandacht voor vorm én inhoud. De spreker beaamde dit met een glimlach die de secretaris als welwillend doch enigszins ironisch heeft genoteerd.
Ballotage en de vraag naar jongere leden
De avond gaf, zoals wel vaker het geval is bij lezingen van dit kaliber, aanleiding tot een informele gedachtewisseling over de toekomst van de sociëteit zelf. De heer Verlinden, die als gast uiteraard niet deelneemt aan dergelijke interne bespiegelingen, had zich inmiddels in de conversatiezaal teruggetrokken, zodat de leden vrijelijk konden spreken — al herinnert de secretaris er nadrukkelijk aan dat hij uit besloten vergaderingen niet citeert en zulks ook in het onderhavige verslag niet zal doen.
Wél kan worden opgemerkt dat de lezing over reizen en de wereld buiten onze grenzen eens te meer de vraag opriep hoe de sociëteit jongere leden — en met jongere bedoelt de secretaris: personen beneden de vijfenveertig — kan aantrekken zonder de aard en de toon van de bijeenkomsten geweld aan te doen. De ballotagecommissie heeft de afgelopen periode verscheidene kandidaten ontvangen, van wie een deel blijk gaf van de gewenste instelling en een ander deel, zo moet eerlijk worden gezegd, de indruk wekte vooral geïnteresseerd te zijn in het netwerk en minder in het gesprek. De commissie, die haar werk met de bekende nauwgezetheid verricht, zal te zijner tijd verslag uitbrengen.
Tot besluit van de avond
De avond eindigde, naar de gewoonte van de sociëteit, met een diner aan de lange tafel, waarbij de plaatsindeling — zoals altijd door de secretaris persoonlijk vastgesteld op grond van overwegingen die niet uitsluitend van praktische aard zijn — aanleiding gaf tot een tafelgesprek dat de secretaris slechts als geanimeerd kan omschrijven. De heer Verlinden bleek aan tafel een even onderhoudend metgezel als achter het spreekgestoelte, en deelde, zonder daartoe uitgenodigd te zijn, een aantal herinneringen aan diplomatieke diners in verre hoofdsteden die het gezelschap met zichtbaar genoegen aanhoorde.
Het is de secretaris een aangename plicht te vermelden dat de keuken ditmaal bijzonder goed bij de toon van de avond heeft aangesloten: een soberheid in de presentatie die de kwaliteit van de ingrediënten de ruimte gaf die haar toekwam, en een wijnkeuze die, zoals een der leden opmerkte, “de juiste vragen stelde zonder de antwoorden te forceren” — een formulering die de secretaris zo treffend acht dat hij haar hier gaarne overneemt, al kan hij de auteur ervan niet met zekerheid identificeren.
Conclusie
De lezing van de heer Verlinden heeft de sociëteit een avond geschonken die in de herinnering zal beklijven: niet omdat er eenvoudige antwoorden werden gegeven — die zijn er zelden bij onderwerpen van enige diepgang — maar omdat de vragen met zorg werden gesteld en met ernst werden ontvangen. Het reizen, de wereld, de verantwoordelijkheid van de beschaafde mens tegenover zijn omgeving: het zijn thema’s die de sociëteit niet vreemd zijn en die ook in de komende seizoenen ongetwijfeld terugkeren aan de tafel en het spreekgestoelte.
De secretaris sluit dit verslag af met de mededeling dat de eerstvolgende bijeenkomst in de gebruikelijke kalender zal worden aangekondigd, en dat hij, zoals altijd, met genoegen de tafelindeling ter hand zal nemen.